Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Derwisj: [uit het volk).

Heil ons geloof! Ziet gij wel Christenen, dat Judas gekruizigd is en niet Jezus 1

„Judas": (zich naar des sprekers zijde wendend). Hoort gij den Hemelschen Haan niet kraaien, ongeloovige?

„Ahasverus":

Waar kan ik Hem toch vinden, o gelukzalige Judas die den dood mocht vinden. Waar hebt gij Hem gevonden, dat ik Hem ook vinden kan?

(„Judas" wijst met een donker gebaar in het duister gapend gewelf ).

„Judas": Treedt in!

(„Ahasverus" treedt met gierige haast in en verdwijnt een lange pooze. Het volk dringt vooruit en terug in bange deining. Plots een rauwe kreet uit het grafgewelf en Ahasverus stort naar batten).

„Ahasverus": Hij is — de Meester is daar — Hij komt!

(„Judas" en „Ahasverus" vallen op de knieën. De Christenen volgen daarin. De Moslems vallen ter aarde. De Koning heeft Relnouts hand gegrepen en zinkt met hem in het stof. Alleen de kardinaal en de bisschop bitpen besluiteloos staan).

TOONEEL VII.

(Tankelijn komt nu uit het grafgewelf. Hij heeft zich geheel een Christustype gemaakt. Alleen draagt hij de hoofdzweetdoeken als een tulband om het voorhoofd gewonden, wat hem tevens ook het aanzien geeft van een Moslemmiet, van een Mohammed, Mahdtma. De tulband wordt bijeengehouden door

Sluiten