Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest: alsmede de opmerking, dat het Torec alléén geweest is, die veilig van de gevaarvolle reis terugkomt ; wijzen er op, dat de afdaling in 't scgip van aventuren, als een roekeloos bestaan moest worderffgewraakt, wat zowel van een diepe vrees voor een geheimzinnige demonenwereld als van een diep piëteitsgevoel voor )een ontzag in boezemend godendom kan getuigen. Over het gehele verhaal ligt een waas van diepzinnigheid; vele, niet te beantwoorden vragen, nemen er hun oorsprong in; en toch is deze reis in 't wonderscheepje, als één van de stoutheden in de lange rij van gevaren, die de held van 't verhaal heeft te doorworstelen, in de Torec-roman op zijn plaats, en is de interpolatie van dit fragment tussen de overige roemrijke gesten tot op zekere hoogte gerechtvaardigd.

Sommige Middeleeuwse schrijvers, volksopvoeders tevens, beweren, dat er in de vroegste eeuwen geen wijzen nodig waren, omdat reeds de koningin de volle wijsheid bezaten ; de Britse ridderromantiek, die aan een koning weer een ander ideaal dan dat van wijsheid stelt, brengt ze nader in de richting der bovennatuurlike tovenaars, omdat zowel koningen als tovenaars machthebbers zijn. Zo is ook de broer van de geheimzinnige Mariole met de even geheimzinnige diadeem, een tovenaar, voor wie afstanden en gedaantewisselingen maar kinderspel zijn ; en zoals heiligen plegen tot schutspatroon te strekken van devote kloosterlingen, zo is deze oud-oom van Torec het schier bovennatuurlike wezen, dat de wegen van de zoekende prins bewaakt. Hij is het, die geregeld Torecs krachten beproeft, door in een zwarte, rode of witte gedaante vóór hem te verschijnen, en hem tot een tweegevecht te dwingen, om daarna plotseling en spoorloos te verdwijnen *) ; hij is het, die zijn onversaagde neef, als deze allengs zijn doel nabij komt, voor de laatste maal nog eens opwacht en nog éénmaal den strijd met hem aanbindt, om onmiddellik daarop, nu hij zijn taak acht afgelopen, zich aan de jongeling bekend temaken, hem mede te delen, hoe hij hem als zijn beschermer geleid en bewaakt heeft ; hem als een zekere en onvervreemdbare

') vs. 377—398 ; 1310—1327 ; 1906—1924.

Sluiten