Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN MORIAEN1)

LT ° hir It!is weg ; hij is al lan« weS; z° lang reeds, tLtï Weli1ChJ ZOU ziin' dat de K°ning hem ging

^!!?en' D,,0Ch dlt 13 oni"°geKk. Want de Koning hfudt ÏÏTÏÏfcïï; l6m' eilZ0U h6m 20 graag terugzien, dat er niet het minste kan gebeuren wat aan de geliefde gunsteling

z5fmaurt' Ai* f Jf -r0ept ach en wee> en bdSÏÏt zich zelf, alsmede hem die uitgegaan is om de speer en dlsHeilige

wü£U ZH°fken'^aar die' - de Koning schiJ'nt het te T^l f u geheimenissen nooit zal kunnen terugvinden,

£C*Va- 6r d6fTn ?iet voor is' En zie> da*r komt terwijl de Koning hof houdt, een verslagen ridder in een ontredderde toestand de hallen binnen3). Hij was gezonden door een Rode Ridder. „Ga heen," had dii ridder gezegd,' ■„naar koning Artur) en zeg dat ik u gezonden heb!" Maar de verslagen ridder had niet nader geweten, wie zijn dappere overwinnaar geweest was, en nu hij aan 's Konings hof komt en zijn avontuur meedeelt, weten de overige ridders mt s Konings omgeving het evenmin*). Maar de Koning t ffW6n h - "1 ' >'Percheval is 't 1" : riep hij ; „dus hij „leeft. O mijn dierbare ! Wie zal uitgaan, om hém op te „zoeken en bij zijn Koning te brengen!".... Keiiezal't doen, de snoevende Keije. Hij pocht er op, dat hij d i t zal

tr^ n dLt- Maar.aI de ridders lachen hem uit, omdat hij grootspreekt van dit en van dat. En de Koning waarschuwt: „Keije, Keije, je weet toch, dat je vóór dezen ook zo iets

l} ^20^^ dr'Jan te WinkeK ï vs- m 3> vs- 30-200-

Sluiten