Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit kwetsbaar punt1) in de verdeling van Perchevals kwalieteiten en daden over twee elkander aanvullende personen, dat de lezer op het denkbeeld wordt gebracht van een opzettelike vervalsing, die er met een oorspronkelike Perchevalsage geschied zou kunnen zijn. Wie het verhaal ter hand neemt, en het volgende, voor Acglaval de hoofdpersoon zelf in de plaats stelt, met weglating van de vrij doorzichtige interpolaties, zal zich bij de lezing veel meer bevredigd gevoelen, en zal moeten erkennen, dat het gedicht, door de samensmelting van de twee personen in één, niet anders dan in belangstelling en in waarde kan winnen.

De tocht ter opsporing van de verdwenen ridder —■ voor de Moriaan de rusteloze levenstaak, — krijgt met het samentreffen van de drie helden, een nieuw belang. Om de uitslag van 't werk te bevorderen, wordt de arbeid verdeeld. Bij een viersprong op de grens van Arturs gebied, waar een kluizenaar hun over de streek, die ze hebben af te zoeken, inlichtingen geeft, neemt ieder een zijweg voor zijn rekening. Walewein en Lancelot beleven even vreemde als gevaarlike avonturen ; maar ze keren terug zonder enig spoor van Percheval te hebben ontdekt. De Moriaan vindt langs zijn weg, die door een eenzame streek naar de zeeoever leidt, werkelik indruksels van paardehoeven2) ; maar aan de kust gekomen, vanwaar hij over het water zijn tocht wil vervolgen, worden de schippers afgeschrikt door zijn donker voorkomen; zij menen met de Satan te doen te hebben en houden met hun vaartuigen van de oever af. De zwarte ridder moet nu, zo hij niet van gebrek wil omkomen, de teugel wenden; ook hij komt onverrichter zake aan de viersprong terug. Percheval is en blijft weg ; bovendien is Lancelot óók nog zoek, Walewein alleen is teruggekomen, maar in welk een toestand ! De Moor is bedrukt; beiden zijn vermoeid.

') Zie hierover de I nl ei di ng op deze uitgaaf, 22—28. *) vs. 2355—2466.

Sluiten