Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar over de aarde liep het bloed in beken : hoofden, handen, armen en benen lagen door elkaar. Wie er zijn leven wilde redden, verloor er de zege en zijn eer ; zodat menigeen er het sterven verkoos. Hij die onmiddellik na zijn aankomst de hielen lichtte om te vluchten, mocht het meest verblijd zijn ; wie er bleef, verwachtte niet anders dan te blijven ; en wie zijn paard had verloren, was genoodzaakt, zo goed hij kon, zich voort te slepen om zijn leven te bergen. Toen steeg de Moor af*), sloeg zijn armen om Walewein, en klaagde : „Helaas mijn trouwe gezel hoe vind ik u „in zulk een slechte gesteldheid! Geen meester, vrees ik, zal „u kunnen helpen, zo pijnlik dunkt me uw smart, zo talrijk „en zwaar uw wonden !" En hij ontbond hem zijn handen. En Walewein dankte God en de Moor voor zijn redding, en verlicht van hart, hoopte hij, en meende hij het met zekerheid te kunnen zeggen, dat, met Gods hulp en gesteund door zijn eigen kennis en kunde hij binnen twee dagen zou kunnen genezen, zo hem slechts twee dagen rust werden gegund. Daarop gingen ze naar een nabijzijnde kluizenaar, die hun gaarne herberg verleende2). De vrome man, die Walewein vooraf de weg had gewezen en hem over de gevaarlike woestheid van de landstreek had ingelicht, kon niet nalaten te zeggen : „Die gerne werken buten rade, Dicwils hebben sijs scade."

Het vermoeden is geoorloofd, dat hier door de bewerker, —- om zich bij de lezer over de brede episode te verontschuldigen, —: aan Walewein, overigens geroepen, om zelf zedelessen uit te delen3), een veer wordt getrokken wegens het aanzienlik aandeel dat zijn historie heeft gevraagd, in de „queste" van de sympathieke Moriaan.

Want niet Percheval, noch Walewein, veel minder nog Lancelot, die in zijn gevaarlik avontuur op zijn beurt door Walewein wordt gered 4), — zijn het die in deze roman de lakens uitdelen, maar de Moriaan ; met dit voorbehoud evenwel dat de kracht van zijn belangwekkende persoon-

») vs. 2597—2617. i) vs. 2645—2665.

s) Zie dezelfde woorden, dié door Walewein tot de Moriaan zijn gericht. *) Zie hiervoor inl. 44—53, en J o nek b loet, I, blz. 339 vg.

Sluiten