Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN FERGUUT*)

Aan het hof van koning Artur is K e ij e de Loki, de twistzoekende snoever. Zijn mederidders maken zich toornig, of wel, ze lachen hem uit; de Koning zet hem terecht, en 't rechtsgevoel der volksdichters bestrafte zijn overmoed met zijn diepe vernedering, door de ene of andere „eervolle" en „smetteloze" held op hem af te sturen, die hem, tot loon voor zijn ijdel gezwets, uit het zadel stoot en met gebroken ledematen ter aarde werpt. Ook hij is een spiegel, deze boze 2).

Weer heeft Keije gespot.

Er is aan 't hof een jonkman gekomen : een vreemde * eend in de bijt: meer dorper dan edele. Ieder kijkt verwonderd op naar de verouderde wapens, die hij meebrengt, naar zijn verroeste halsberg, zijn boerse dracht, en naar de twee koppen die aan zijn zadel hangen: koppen van rovers, die hij op weg naar 't hof heeft moeten verslaan. Maar die oude rusting blijkt nog sterk, zijn zwaard nog scherp, zijn stoot zeker, zijn moed en zijn kracht zonder grenzen ; en waar het vooral op aankomt, het is zijn vurig verlangen geweest, om de Koning te dienen en onder diens ridders opgenomen te worden, wat hem van achter de paarden naar 't ver verwijderde hof heeft gedreven. Zijn vader, een rijke hereboer, die van zijn jongens werkezels wou maken, had zijn oudste zelfs willen slaan toen deze zijn ploeg had omvergeschopt, en hij had hem gescholden3). Maar de moeder, die een vrouw was geweest van hoger afkomst,

') Ferguut. Nieuwe uitgave van Verwijs-Verdam. Gron., 1882. l) Zie de Mor iaan blz. 22. J) vs. 252—362.

Sluiten