Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ridder, dood mij liever dan dat de Koning mij radbraakt; „want hem heb ik zó menig man gedood, en over mij heeft „hij zó menige klacht gehoord !" „Wees niet bevreesd; zeg alleen, wie u gezonden heeft, en hij zal u vergiffenis schenken ; breng hem ook mijn groet, en breng „eveneens mijn groet aan alle ridders van zijn hof ; alleen, „groet Keije niet, want die heeft mij bespot en die spot zal „hem een bron zijn van leed !"

Toen verdween de Zwarte Ridder, om de sluier en de horen te brengen naar koning Arturs hof.

Met het volvoeren van zijn veroveringstocht heeft Ferguut zich van zijn belofte aan den Koning gekweten, en het verhaal had met een herinnering aan Keije's verdiende beschaming, en zo nodig, met diens verplichte genoegdoening voor zijn eertijds beledigende spot gevoegelik een einde kunnen nemen. Dit nu is niet het geval: de avontuurlike beklimming van de Zwarte Rots is slechts het begin geweest van een reeks andere, even avontuurlike waagstukken.

Daaronder zijn er, die, evenals dit in de T o r e c het geval is, met een zeer los verband in het verhaal zijn gevoegd, eensdeels waarschijnlik om de bewondering van de lezer voor de „held" in te roepen, maar dan toch vooral, om koning Artur verbaasd te doen staan over de hem overstelpende wapenfeiten van zijn steeds ronddolende beschermeling. Elke keer namelik, als Ferguht één of meer ridders de baas wordt, stuurt hij de begenadigde overwonnelingen naar 't hof met de boodschap : „Komplimfenten van Ferguut, die „mij gezonden heeft, en hier ben ik om boete te doen !" Ieder ridder krijgt de groete van Ferguut, maar ook elke keer was er bijgevoegd : „Groet Keije niet, want hij heeft me „bespot!" Doch ook telkenmale roept de overwonnene bij zijn aankomst tegenover 's Konings aangezicht uit: „Nooit „zagen onze ogen zulk een held en zulk een volmaakt „ridder IV

Zodat de Koning, en met hem de tafelridders, hoe langer hoe spijtiger worden, dat hun roemvolle wapengenoot zo lang uitblijft, en zij tevens hoe langer hoe meer gebeten zijn op Keije. ,,'t Is zij n schuld, dat hij weg is!" roepen ze. En allen gaan, op 't koninklik bevel, er op uit om de

Sluiten