Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„beminnen ! Kunnen beminnen, wat raaskal ik! Hij

„kijkt nü al niet in 't minst naar me om. Hoe ging het „gisteren ? Hij zat in zijn eentje naast me; en sprak geen „woord. Had hij me lief gehad dan zou hij wel tot me „gesproken hebben ! Of zou hij niet bij machte geweest

t „zij", iets liefs te zeggen Maar wat heb ik dan aan

„zo'n man. En verder, wat heb ik mij eigenlijk af te pijnen ? „Morgen bij 't grauwen van den dag gaat hij al weer heen, ,,en zijn schoonheid zal toch eeuwig voor mij verloren zijn? „Zou ik hem die kunnen afnemen ? Zou 't mij geen leed „doen, dis ik het deed ? O foei, neen, veeleer zou ik moeite „willen doen, om zijn voortreffelikheden nog te verbogen!"1)

In de Mor ia en vermeit zich de bewerker van het verhaal met het uitspinnen van de tweestrijd in de boezem van een gastheer, die, zelfs niet tegenover de moordenaar van zijn zoon, het gastrecht wil schenden ; een tegenhanger van dit fragment is bovenstaande analyse van de zielsfazen der verliefde Galiene. Het geheel, dat men — het trekje van valse smaak aan 't slot vooral niet uitgezonderd, — allerminst zou verwachten in een Middelnederlandse Ridderroman, en veeleer aan de zelfgenoegzame oplossing van een psychologies probleem uit de Renaissancetijd doet denken* maakt er ons opmerkzaam op, dat onder de schaarse proeven van zielkundige arbeid uit die tijd, op loffelike bewerkingen valt te wijzen. Galiene is zozeer de speelbal van . haar aanvechtingen, dat haar gissingen tussen hoop en vreze niet minder heen en weder slingeren dan zij zelve onrustig op haar legerstee woelt. Maar de dichter laat haar niet los; onbarmhartig drijft hij haar voort, tot over d~ grens van maagdelike schaamte en eergevoel heen. „Du geit die Minne achter lande. Den ridder haer sout meneger hande. Der joncvrouwe heft sijs oec gegeven (:)."2) L 't kort, Galiene staat op en kleedt zich, zij gaat naar Fer guuts kamer ; ze keert bij de ingang terug, en gaat wederom Zij wringt haar handen, zucht en schreit, omdat, wat zi gaat doen, haar oneerbaar dunkt. En toch, vermeent zt

») vs. 1356—1418. ») vs. 1423—1425. ■

Sluiten