Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klederen gehavend waren — door de strijd met de draak, — riep de koning twee edelknapen, die de ridder naar diens slaapvertrek brachten, hem ontkleedden,'hem wiessen, en hem in allerlei opzicht verzorgden. Toen legden ze hem op een rijk en kostbaar rustbed ; de stijlen waren van goud ; de zijwanden van bewerkt ievoor, waarin al de wonderen waren gebeiteld die er van 't begin der schepping waren geschied, en tot aan 't einde der tijden verder zouden geschieden; ' vier gouden engelen zongen er door middel van luchtkanalén"," die van onder het kasteel de windstroom omhoog voerden, de welluidendste muziek ; de handen dier engelen hielden edele gesteenten in, wier glans het vertrek met een helder licht vervulden ; het bed zelf bezat de eigenschappen, dat het zelfs de zwaargewonde na één uur rustens, zo gezond en gaaf als een visje maakte

Zodra nu de ridder was ingeslapen, staakten de engelen hun zang. Toen nu de koning zekerheid had dat zijn gast lag ingesluimerd, liet hij Waleweins wapenen oppoetsen en in orde brengen, en zette ze neer bij diens rustbed, er nog bijvoegende een fraai bewerkt zijden paardedek. Overal dacht de gastheer om. Hij liet de eettafels opstellen eh dekken, hij bracht nieuwe en smaakvolle kledingstukken bij Waleweins bed. Prachtig waren ze bewerkt. Geen man van studie in heel Parijs mocht zó geleerd zijn, dat hij uit zou kunnen denken wat er al aan die kledij gedaan was. Ook schonk de koning zijn gast een scharlakenrode rijmantel met hermelijn gevoerd, liet hem wassen in een gouden bekken waarbij een gouden handvat behoorde, bracht hem doeken om af te drogen, en al wat de ridder maar hebben wilde.

Daarop kwamen koning Wonder en zijn zoon tot Walewein, vroegen hem of hij goed had gerust, en leidden hem, te midden van vele hooggeplaatste groten, met deftige statie, naar de eetzaal. Er waren tafels van ievoor, en van marmer. Maar de tafel van de koning, waaraan Walewein moest bijzitten, was van goud. Hij moest plaats nemen in een kostbare zetel, die bezet was met vele edelstenen, waarin zulk een kracht verscholen lag, dat degene, welke de zetel bezette, door geen onweersgevaar of door geen ongeluk ook, bedreigd kon worden. Aan de elpenbenen tafels zaten de rijkste hertogen en graven ; aan de ievoren de

Sluiten