Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat niets aan de ernst van de strijd afbreuk mag doen, moet er worden voorkomen, dat de dolende ridder het vermoeden vat, of het soms de koning is, die hij op dit ongewone uur bestrijdt. In dit geval toch zou Elegast's vazallentrouw er op uit zijn, zijn koninklike heer voor zelfs 't minste letsel te vrijwaren. Daarom houdt de koning zich onkenbaar, en het gelaat en het schild, ook reeds van wege het hem opgedragen werk der schande, bedekt. Des te meer echter moet Kareis kostbare wapenrusting, schitterend van goud en edelstenen, de roofridder als een begeerlike buit in de ogen steken, terwijl anderzijds de zonderlingheid van Kareis verschijning in het nachtelik uur en in 't verlaten oord Elegast tot dreigend vorsen en vragen noopt. Fel is de strijd, eer Kareis krachtige arm zijn tegenpartij weerloos maakt. De overwonnene is genoodzaakt zijn naam te zeggen, en van dat ogenblik af voelt de koning zich» innerlik verblijd, dat het God heeft behaagd, hem, de voorheen te ruw verjaagde Elegast, tans, voor het volbrengen van zijn ongewone en hachelike taak, als gezel en dienstman te geven. Te meer acht hij het echter geraden, zijn eigen naam met een verdichte naam te verbloemen, zo mede zijn ware rang te ontveinzen met zich voor een niets en niemand ontziende roofridder uit te geven ; en om alle twijfel hieromtrent bij zijn nieuwe makker te verbannen, stelt hij dien voor om naar koning Kareis eigen hof op roof uit te gaan. Van zelf wordt dit voorstel verworpen, en uit het antwoord, dat hem gegeven wordt, proeft de Koning al dadelik Elegast's riddertrouw. Ver werpt de edelman van zich af elke gedachte aan een verongelijking, welke aangedaan zou moeten worden aan hem, die altijd nog rechtens zijn koning is. Want niet Karei zelf, gelooft hij stellig, is het geweest die hem de schande van een gedwongen ballingschap heeft aangedaan ; valse raadgevers waren het geweest, die de koning hun lastertaal in het oor hadden geblazen. Allerminst mocht dan ook de koning zelf door een roofdaad benadeeld worden ; liever er op uitgetrokken naar een derzulken, die de koning^ vijandig waren! Kort en goed, de koning en zijn makker trekken naar het kasteel van Eggeric, de man, die naar Elegast's stellige verklaring, de koning een kwaad hart toedraagt en hem zelfs gaarne het

Sluiten