Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handschoen op. Dit bloed nu, alsmede het zwaard en het zadel van Eggeric brengt Elegast als de getuigen mee van 't geen hij hoorde, en het mededelende aan zijn buiten wachtende metgezel, wil hij onmiddellik terug, om de verrader te doden. En heftig uit hij zijn verontwaardiging over het bedrog van de woestaard, wiens ruwe aard van zo nabij het leven van zijn vorst bedreigt.

Tans doorziet Karei het Goddelik plan.

Daarom gebood Zijn stem hem, om uit te gaan, opdat hij het verraad zou leren kennen van de huichelende Eggeric, die hij met weldaden begiftigd had ; en opdat hij de vriendschappelike trouw zou leren waarderen van de door hem verdreven Elegast. En in stilte dankte hij zijn Heer ootmoedig voor Diens wijs beleid.

Zou hij nog niet eenmaal zijn vriend beproeven ?

„Wat baat het," neemt hij zich voor in 't midden te brengen, „wat nut heeft het in, die valsaard te doden ! Ge brengt u zelf maar in ongelegenheid ! Sterft de koning, welnu dan is 't gedaan, en uw rouw is ook spoedig voorbij 1"

Maar dit is olie in 't vuur.

Daarom stelt Karei voor een andere wijze van doen te volgen. Elegast moet naar de koning gaan en hem alles mededelen : hij zal de koning welwillend gezind vinden, en onmiddellik weer in genade worden aangenomen.

Maar Elegast acht dit te veel gewaagd. Hij vreest nog altijd 's konings gramschap.

Welnu dan zal zijn makker zelf gaan en het de koning

berichten En Karei verlaat zijn gezel, bereikt Ingel-

heim en komt tussen de slapende wachten door weer ongemerkt in zijn kasteel terug. Als bij het krieken van de dag, de wachter op de tinnen de horen blaast, ligt de koning te slapen op zijn rustbed. Want de „diefstal" was nog altijd een zaak gebleven tussen God en hèm.

Zo vast en strak houdt het verhaal de lijn van Elegast's inbeelding, dat zijn nieuwe roofgezel in de verste verte niet iets te maken zou kunnen hebben met de persoon van zijn Vorst, dat de auteur, dartel en vermetel, op het gevaar af

Sluiten