Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechts en links1), uit sage en wetenschap, eigen kennis en fantazie, de betekenis van het' verhaal te verdiepen, door de didaktiek te accentuéren 2) en de moraal te onderstrepen.

Arme Darius!

Hij is de rijkste en machtigste onder de Vorsten der aarde3) : hij heeft een vredelievend gemoed*), is edel van natuur5), gevoelig voor riddereer8). Hij bidt de Goden, zo 't hem beschoren mocht worden, afstand te doen van zijn rijk, de heerschappij van zijn wereldgebied te willen schenken aan hem die 't meest waardig is zijn opvolger te zijn, aan de „hovesche viant," Alexander7). Hij wordt door rampen getroffen, vernedert zich tegenover de voortrukkende Macedonieër, door hem herhaalde malen om vrede te smeken8), toont zich genegen om hem een deel van zijn rijk, tot aan de Eufraat, benevens de hand van zijn dochter te schenken. Hij voelt het Noodlot over hem komen, onder het dreigen van het verraad, het einde naderen ....

De rampzalige I

Tevergeefs is het medelijden der volkeren en nageslachten 1 Het Godsgericht oordeelt, en de historie is slechts een vonnisregister. Daarom alleen reeds moet Darius, in 't Middeleeuws zedelik denken, vallen, omdat hij een Macht op aarde is ! Wie niets heeft te verliezen, aan wie bij welke gril van 't Noodlot, niets kan worden ontnomen, deze

') Over de bronnen bij Maerlant: Dr. Joh. Franck. Alexander's Geesten van Jacob van Maerlant. Inleiding XIX—Lil.

!) Dergelijke didaktiese toevoegsels zijn: Alexanders afkomst (I, 71—410). in al haar bizonderheden; bij Gauthier worden alleen de wondertekenen bij Alexanders geboorte vermeld, en dan nog eerst op 't eind van 't verhaal; Maerlant brengt ze naar voren, zo mede het zenden van de Roomse kroon. Verder: de Scythen-oorlog (VII, 1077—1239), waarvan bij Gauthier slechts 3 regels, bij Maerlant 153 voorkomen; Porus' grootspraak en straf (IX, 81—120, 575—729), en de tocht naar 't Paradijs. (Zie verder Dr. Franck, t a p)

3) II, vs. 5—8. ») II, vs. 18—22.

s) II. vs. 667—677; VI, vs. 1150—1169.

B) IV. vs. 169—186; 1325—1330; VI, vs. 824—827 vs. 873—902- VII vs. 534—549.

7) IV, vs. 124—144; VII, Vs. 581—590. ") IV. vs. 153—156.

Sluiten