Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aarde hem te klein is, en dat de Verborgenheden geopenbaard moeten worden, welke optrekt naar het verblijf van de zeven helse Machten. Daar doet ze haar beklag, vertelt Lucifer, wie Alexander is, welke gebieden hij voor en na wist te bemachtigen, en houdt hem ernstig voor, dat het de Macedonieërs voortaan om de Verborgenheden van 't Paradijs, van de Hel en de Onderwereld te doen is. „Ga nu, dit wetende, „eens na," zo besluit ze haar vermaan, „wat voor ere er voor „u, o Hellevorst, overblijft, als Gij, die Adam hebt verdreven uit 't Paradijs, er zelf door Alexander uit verdreven wordt V'1) Lucifer, die de ernst van de toestand inziet, belegt aanstonds raad met de Furiën, en besluit, er een eind aan te maken. „Bedenk toch," herinnert de Hellevorst, „dat nu lang gele„den de „god der werelt" voorspeld heeft hoe iemand, onder „wondertekenen geboren, „met einen houte" de hel zal „openbreken en er de zielen uit zal verlossen. Laten we „oppassen dat h i j het alvast niet doet \"*)

Eén van de Furiën, het „Verraad," de dochter van de Nijd," zal de zaak tot een oplossing brengen. Antipater, die Griekenland bestuurt, is haar vriend, aan wie ze van de wieg geleerd heeft verering te veinzen, waar hij de haat in 't hart verscholen houdt. Deze zal 't zijn, wélke Alexander zal doden, met vergif3). In de afwachting, der dingen is de koning, na allerlei wonderen te hebben ontmoet en allerlei avonturen te hebben beleefd, gekomen in een oord met twee wonderbomen, een van de zon en een van de maan, die spreken kunnen, en antwoord geven op het gepeins — het spreken is verboden — der aanbidders. Hier verneemt Alexander zijn lot. „Wel zult gij het aardrijk winnen, „maar nimmer uw land weer bereiken," is het veelzeggend antwoord. Allen wenen, maar de koning gebiedt stilte. Nu wacht hij tot de maan opkomt, want de bomen spreken alleen wanneer de beide hemellichamen op — of ondergaan, — en blijft met enkelen alleen. Daar hoort hij, dat hij over negen maanden zal sterven, door de hand van iemand, op wie hij geen vermoeden heeft. Allen weenden4). „Zie," hervatte de zonneboom, „noemde ik u de naam van hem, die u ver-

») X, vs. 1—206. ») X. vs. 245—270.

*) Gethsem ané(?>.

s) J u d a s ( ? ).

Sluiten