Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„classieken eenvoud van stijl." En die pratende eenvoud is ook wel prijzenswaardig, vooral als men hem vergelijkt met de stijl der tijdgenoten. Men gebruikte rondom 1840 een onaangename zinsbouw, ingewikkeld, met onheldere dooreenvlechting van allerlei brokken zinnen, zodat het geheel doet denken aan algebraïese formules met kleine haakjes en grote haakjes en accoladen. Zelfs de Camera is daar niet vrij van.

Maar de kunsteloze eenvoud der Pastorie is toch iets anders dan de kunstvolle natuurlikheid die de zinsbouw der laatste twintig jaren kenmerkt, en de verheven naïefheid van de Max Havelaar.

Waar Cornelis Eliza zijn best doet om mooi te schrijven, daar spreekt hij van ,,de takken der vruchtboomen, waarvan de smeltende sneeuw afdruipt als tranen van afscheid, die de winter weent." Of diezelfde sneeuw is als . . . gij weet het vantevoren ... natuurlik : „als een helder laken, waarmede de weiden en akkers zijn bekleed."

Eén mooi plekje van zo'n soort weet ik in 't boek : Het is herfst. Dominee wandelt in de tuin. De oude, trouwe knecht is bezig met opruimen voor de winter ; hij bergt bonestaken op, enzovoorts. „Zoo nu en dan schudde hij een dorrend blad van het grijze hoofd." Dat is mooi. Maar Van Koetsveld kan niet nalaten, dit moois te bederven door zijn gefilozofeer over de weemoedig-heid en de aandoenlik-heid van de vergankelik-heid.

Soms wil hij ook de gesprekken mooi maken. Dan zegt hij bijv. tegen zijn vrouw : „Ja, lieve Kee ! Toen ik van de Academie kwam, de oefenschool der edelste vermogens van onzen geest, en hier buiten de menschen zoo zag zwoegen en slaven, dacht ik wel eens," enz. Of hij zegt tot zijn vriend Altorf : „Meerdere onafhankelijkheid en ruimer middelen hebben u, meer dan mij, boeken en tijd, diemagtige hefboomen der geleerdheid, ter beschikking gegeven, en gij zijt mij nu ver vooruit."

Slechts hier en daar, bij enkele korte zinnetjes, laat hij de mensen spreken zoals zij spreken. Maar als iemand wat langer achter mekaar moet praten, dan krijgt hij Van Koetsvelds taal, en reciteert een opstel, dat de schrijver knapjes voor hem gemaakt heeft. De auteur weet dat zelf

Sluiten