Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. C. W. STARING

Aan mijne Dennen en Herdenking

Men ziet in Holland dorpswoningen, keurig in de verf, netjes wit en groen ; met stijfgeplooide, hagelwitte gordijnen ; de belleknop glanzend gepoetst; 't tuintje ervoor zorgzaam onderhouden, de randen der perken recht afgestoken, 't gras kort gehouden, de bloemen opgebonden, 't blanke kiezel goed geharkt; en daaromheen 't regelmatige lattenhekje, frisch groen, met witte puntjes.

Hoe stijf 1 zegt 'n fantasties gevoelsmens. Hoe smakeloos ! Hoe koud !

Hoe mooi ! zeg ik, zonder iets te willen afdoen van de lof welke die anderen geven aan 'n schilderachtige, romantiese woning op 'n heuvel of in 'n oud park. Ik vind de armoedige plaggenhut op de hei mooi, waar de vlierboom vertrouwelüc en geheimzinnig z'n schaduw aan geeft, èn ik vind zo'n Hollands, stijf, zwaar gevernist dorpshuis mooi.

Er is velerlei soort van schoonheid.

Alles is mooi als 't zuiver, echt in z'n soort is, en 't op 'n zuivere, krachtige manier z'n aard uitdrukt. Aldus bestaat de Schoonheid der Lelikheid, en de Poëzie van 't Proza.

En dat is m'n voornaamste gedachte bij 't bekende dennenvers van Staring. Staring is 'n nuttigheidsman. Net als Huygens vindt-ie dat verzen mooie dingen zijn om 't leven te sieren, maar dat wat gesierd wórdt, 't Leven zelf, en hij denkt dan aan 't maatschappelik leven, dat is toch de hoofdzaak. Hij heeft gelijk als hij maar over zichzelf blijft spreken en niet aan anderen z'n eigen natuur wil opdwingen, want zulke dichters die als echte bohémiens hun gezondheid en 't geldverdienen verwaarloosden, en daarbij zelfs hun

Sluiten