Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch met hun eigen geestdrift en hun eigen heilige zaak. Ze noemen zich „zonen van Artevelde," maar terwijl ze dat doen, zijn er enige plooien in 'n hoek van d'r oog die aanduiden dat ze zichzelf kwiebussen vinden. Maar toch in 't midden van al dat gekwiebus zit eerwaardige ernst: de jeugd kan zo'n zonderling mengsel vertonen ; ze verkondigen hun zware meningen met bokkesprongen en zotte uitvallen, als Pierrot die z'n liefde verklaart aan Colombine zó dat ze d'r allebei om moeten lachen, maar ondertussen zou-ie schieten op iemand die maar 'n verkeerde blik op ze wierp.

En toch, en toch.... Ik wil 't wel goed praten dat die jeugd spotte met d'r eigen idealen, maar als ik denk aan Conscience en Willems en De Laet en Gezelle, de oudere voormannen in de Vlaamse strijd, dan voel ik wat minachting voor de halfheid van die meelopers, tegenover de volheid van de liefde dier aanvoerders.

Tussen zulke jongelieden is Bergmann opgegroeid tot 'n man. Dat gaat niet straffeloos, gelijk we zagen aan de gedeeltelike verfransing van z'n individualiteit. En evenals 't flamandisme dier studenten 'n fletse nabloei is, zo is Tony's boek zelf 'n nabloei van de oudere Vlaamse literatuur. Het verscheen in Januari 1874, tussen de oude en de nieuwe tijd in, in de schemering, en zelf wat schemerig. Van de nieuwe Hollandse idealen van zelfheid en zuiverheid nog geen spoor, natuurlik ; en van de oude Vlaamse emancipatie-hartstocht maar 'n herinnering.

En toch willen Holland en Vlaanderen dit boek vasthouden, gelijk al bleek uit de vele drukken. (In 1908, de elfde ; thans ?) Daarvan heb ik de oorzaak willen verklaren : er zit 'n mens in met 'n eigen voeling van de wereld, al weet-ie zichzelf niet altijd zuiver te reproduceren, zonder vreemde bijmengsels ; èn : het bevat intimiteitjes uit de lange nacht van 'n slapend volk, dat sedert tot ontwaken kwam ; maar de schone doorbraak ener gouden ochtendzon, die wordt niet gegevèn.

Sluiten