Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lekkerd op alle mogelijke weelderigheden, weelderigheid van vrouwennaakt, weelderigheid van kapsels, van tournures, van paardenpluimage, van harnassengeschitter, van draperieën. Hij is een uitermate barokke figuur in onze prentkunst, in zijn geestigheid nog te vaak gemaniëreerd, in zijn hoogdravendheid nooit geheel zonder pit. Er is weinig ras-komisch in zijn geest, weinig van Mutterwitz ; hij keek niet, hij alleen onder alle oude Hollanders, keek niet naar het volksleven, had er niets aan te danken, noch aan het voorbeeld van Jan Steen, Brouwer of Ostade. Hij is eigenlijk geen echt oud-Hollander, eerder doet hij soms aan Rubens denken of aan sommige italianiseerende schilders.

Dit geldt vooral den allegorist; maar de spotprentteekenaar, ofschoon wel eens eenvoudiger in zijn voordracht, en zelfs wel eens slordiger ook, blijft in zijn zware, erudiete inkleeding, in het vele commentaar dat hij behoeft, eenigszins vreemd aan den volksgeest die de meest treffende caricatuur pleegt voort te brengen. In dat opzicht winnen de vroegere, van uitvoering minder fraaie spotprenten het nog wel eens van de zijne.

De voornaamste van zijn grootere prenten — overigens prefereer ik vaak zijn kleinere, waarover straks meer — nemen Jacobus II van Engeland a faire, diens omgeving en diens beschermheer, den koning van Frankrijk. Bij deze voorwerpen van zijn satire sluiten zich dan aan de biechtvader van Maria, Jacobus' gemalin, vader Peters en Peterkin, ook wel genaamd de molenaarszoon, het beweerde ondergeschoven kind van de warming-pan geschiedenis.

In 1688 verscheen een „Les Monarches Tombants", ter gelegenheid van de vlucht der koninklijke familie uit Engeland. Een andere prent heet in het Fransch „Arlequin sur Phypogryphe a la croisade Loyoliste" of in het Hollandsen „Armee van de Heilig Ligue van den Jesuiten Monarchy."

Sluiten