Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter een Fransch soldaat, die op een ijsblok bij wijze van stoof staand, zijn tong tracht te ontdooien aan het ouderwetsche olielampje dat bij ons „snotneus" heet.

Na „Lypzieg" draagt men een doodkist, waar het geraamte uitkijkt, naar Parijs, een groepje gekroonde rouwdragers (Napoleon's creaturen ?) volgt het. Of de prentjes zinspelen op de Spaansche peper, die Wellington tot zijn beschikking heeft, op de „voeracie" die op is. Of op de conscriptie : een vrouw waarschuwt : „loope, loope jongens voor de kinderdieven."

Klein als deze prentjes en de daarop geteekende figuurtjes zijn, weinig berekend als ze schijnen op een mededinging met de machtige, fantasie-rijke caricatuur van dien tijd, knus en gemoedelijk als ze zich voordoen — de voor zich heen opgeteekende speelsche gedachten van een geestig man meer dan de door haat geïnspireerde uitbarstingen van den lang onderdrukte, — acht ik ze niettemin het beste wat hier in dien tijd van dezen aard is gemaakt.

Want W. Esser, met zijn van bedoeling genoegzaam heftige, bont en blauw geverfde prenten (Dr. Greve merkt geestig op dat de vaardige aquarellist die ze opkleurde zelden vergat om Napoleon een blauw geschoren gelaat te geven als de keurigste lakei uit de Hofstad) — hij is toch niet anders dan een tam, schoolmeesterachtig teekenaar, arm van vinding, saai van manier.

De prenten van dezen „kunstkooper in de Spuistraat No. 31 te 's-Hage" vertoonen den kop van Napoleon altijd in dezelfde houding en profil, en met dezelfde vrij impassible uitdrukking : of de Engelsche bull-dog hem als de „nagtmerri van Napolion of papa Violet" op de maag zit, of hij in Elba in de kooi of in het Dolhuis zit. Esser'a grapjes zijn allerakeligst, zijn bewerking van de détails peuterig en zonder fut.

Sluiten