Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar in dien tusschentijd was „de Nederlandsche Spectator" verschenen, die geregeld platen gaf, meestal politieke, van de hand van J. M. Schmidt Crans.

Schmidt Crans is de eerste onzer geregelde spotprentteekenaars, en hoewel zijn werk zelden boven het middelmatige uitkomt, is het bekwaam genoeg in zijn goeden tijd. Hij is de eenige die Thorbecke nog geteekend heeft, van wiens rechte, stramme figuur hij welgelijkende afbeeldingen, zooal niet direct geestige caricaturen maakte.

Zijn werk in den Spectator is veel beter dan wat hij later in Uilenspiegel maakte, waar hij Holswilder een paar jaar naast zich had. Het is, zonderling genoeg, in twee zeer verschillende soorten te verdeelen, want hij placht soms met krijt in toon te lithografeeren, en dan weer in zeer dunne penlijnen te teekenen. Zijn litho's van de eerste soort zijn verdienstelijk zonder nu juist zeer boeiend te zijn, de andere, de omtrekteekeningen doen wat mager aan. Over het algemeen is zijn werk nooit bepaald slecht, maar erg uniform, en door die schaarschheid van scherpe, weinig kleur of volume gevende omtrekken armelijk. Daarbij komt dat hij niet veel fantasie bezat.

Goede teekeningen van hem zijn „Het dwangpak der beginselen" en „Het ministerie zonder hoofd, bezig de kamer het hoofd te bieden" beide in 1861. Op beide ziet men de lange magere figuur van Thorbecke.

Van Schmidt Crans valt overigens niet veel meer te zeggen. Zijn werk gaat in den zelfden geest door, ruim twintig jaar lang. Hij kreeg den ouden Heemskerk te teekenen, Kappeyne, van Lynden, Kuyper, Schaepman enz. Zij zijn alle herkenbaar, hun portret is nooit een creatie. Humor bezat hij in even schaarsche mate als fantasie. Maar het ware onbillijk, niet vast te stellen, dat er in onzen tijd reputaties zijn, die op losser gronden rusten dan zijn reputatietje. Hij wist b.v.

Sluiten