Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARISTIDE BRUANT.

Hij was een eenvoudig werkman en had 'n zeer persoonlijke manier van zeggen. Montorgueil beschrijft zijne figuur aldus : „C'était un gars trapu, tanguant du torse, qui affectait un parler oü 1'accent du terroir le disputait a la canaillerie du faubourg." Hij had lange haren en eenigszins het uiterlijk van een monnik. Steeds droeg hij hooge kaplaarzen, een fluweelen broek, een klein wambuis en een' grooten deukhoed. Voorts 'n roode cache-nez, een^ knuppel in de hand. Jouy had hem ontmoet en hem meegenomen naar de chat noir. Zijn voordracht was zeer gekruid en had onverwachte wendingen. Als het zoo viel, ging hij boven op 'n tafel staan. Zijn genre ontleende hij' aan een lied, getiteld „A Montmartre" van Richepin, Tansi en Maurice Bouchor. Dit lied speelt zich af in den 4lJd va*1 de commune : Een mooi meisje was toen 'n heldin „a Montmartre." 't Was 'n tijdperk van bloed en moord „a Montmeurtre." Zóó dichtte Bruant

Tout' jeune on la mit a 1'Ecole A Batignolle

On 1'appelait Toto Laripette A la Villette.

Op die wijze schildert Bruant zijne helden, die hij uit de dievenwereld en uit die der prostituées recruteert. Hij beschrijft ze in al hunne nuances : In hunne laagheid, in hunne hebzucht, maar ook in hunne cameraderie. Hij neemt geen blaadje voor zijn' mond, maar zijne „chansons rosses zijn ontsproten aan een edel hart. Onder het zingen drinkt hij half gevulde glazen bier. Zijne specialiteit was grotheden naar het hoofd van zijne cliënten te werpen, die hij dwong de refreinen mee te zingen. Grof was hij tegen ieder, wie en wat hij ook zij. En kijk, dat vonden de menschen aardig. — In 'n Hollandsch cabaret moest je dat met wagen. — Maar in Frankrijk is men minder

Sluiten