Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

THE JUVENILES (HERMAN THOLEN EN ALBERT VAN LIER)

„Jonge jonge wat 'n jonge jongen" aldus Louis Pisuisse toen hij Tholen, die voor 't eerst als Hollandsen zanger optrad, „inleidde".

We zagen 'n jongen man zooals er zoo vele optreden in het cabaret, maar wat ons dadelijk opviel was zijn zeer duidelijke uitspraak, zijne goed gearticuleerde r's en s sen ; verder zijne elegante kleeding, zijn aardig uiterlijk en zijn wel vrije voordracht, 't Hout waarvan de cabarettiers worden gesneden.

Toen — later — „the juveniles". Hij met Albert v. Lier. De laatste als medezanger en buitengewoon handig accompagnateur. 'n Alleraardigst span. Frisch, vroolijk, zwierig, jong. Voornamelijk Engelsche liedjes.

Het spreekt van zelf dat Tholen het in „de zaak" van zijn vader niet uithouden kon ; het spreekt vanzelf ook dat v. Lier 't vertikte om op de Rotterdamsche Bank, waar hij employé was, te blijven.

Tholen had al vroeg voor liefhebberij, als dilettant dus, gezongen en dan zeiden die hem hoorden wel : „Jemoetaan 't tooneel gaan." Zijn broer begeleidde op de piano. En zoo trad hij dan wel eens in 't Fransch op voor 'n gymnastiekvereeniging. En hoe weet ik niet, maar door bemiddeling van X of Y had Pisuisse al van hem gehoord en, kort en goed, hij werd daar geëngageerd.

8 November 1918 was 'n historische datum voor den jeugdigen Tholen. Pisuisse was reserve luitenant, had dienst, Tholen moest hem vervangen, had succes met „mad Willy" en met andere liedjes.

v. Lier was met zijn niet forsch, maar sympathiek geluid, met zijn teer gezicht en zijn slank figuur „Pierrot zanger" bij Pisuisse.

In Arnhem ontmoetten de jongelui elkaar, ze besloten samen te gaan zingen in 't vervolg en aldus geschiedde. Ze studeerden samen, zoo maar zonder lessen, v. Lier

Sluiten