Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is een psychisch voeler, vooral qualitatief, in de z o ov e e 1 s t e. En nu hebben, hetgeen van zelf spreekt, de kleine kunstenaars, d.w.z. : de zwakste beelders, zich altijd meer tot het psychologisch uitweiden over gevoelens en innerlijkheden aangetrokken gevoeld dan tot het beelden van daadrijke uiterlijkheden .... — Maar er is meer. De noodwendigheidsindruk — zooals ik reeds vroeger elders heb aangetoond, een allergewichtigst bestanddeel van alle kunst — wordt in de hierboven bedoelde Scandinavische literatuur juist gewekt door eene als door ommisting veroorzaakte vaagheid der figuren. Zij worden zichtbaar in een nevel. Zij schijnen zich er uit te willen losmaken, maar kunnen niet, zij verdwijnen er weer in. Het is een zich aan hen hechtende, weeke en toch onweerstaanbare, hen dwingende, want hun gang en richting wijzigende, hen overhuivende en versmorende damp. Die damp voelt men als het Noodlot-van-boven-af. Terwijl bijvoorbeeld in het naturalisme, een literatuur van het andere „uiterste", het Noodlot klaar, hard, staal-glimmerend, met onvermurwbare grijptangen en kneuzende raderen als de machines der grootindustrie is : een meetbaar nootlot, een becijferbaar, in 't kort: een mènschelijk noodlot, van onderen opgestegen. En nu vrage men zich af, niét wat lichter te scheppen is, maar wat den kleineren kunstenaar lichter te scheppen zal schijnen. Hebben zich niet van oudsher alle onmachten op den breeden rug van het „metaphysische" gevlijd ? ... .

Hiermede meen ik enkele onmisbare hoofdzaken der bedoelde inleiding tot het opstel van Mevr. Boudier voldoende te hebben geresumeerd, om den lezer het volkomen begrijpen dier studie mogelijk te maken. —

Maart 'zo.

De Schrijver.

Sluiten