Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING

Voorgangsters

Een groote tijd, als die waarin wij leven is meest zoo vol van kleine zorgen, dat velen het groote van den tijd niet kunnen zien, en menigeen hunner, die, trots die kleine zorgen, zijne grootheid kennen, zal tweevoudig lijden : door de eerste vernederd en ontadeld, vervult hem de laatste met schaamte, zelfhaat en vage wroeging ; een onuitvierbaar verlangst naar andere daadkracht dan immer de zijne was, een knagend gevoel, alsof hij groote zonde op zich laadde door het niet-doen van gene onbekende groote daad — ver-af visioen, dat nimmer nadert — vervult zijn hart. Zoo menig kunstenaar — waar bleef zijn trotsche overtuiging, dat hij der wereld het zéér noodige, het zéér vitale bracht ? Nooit heeft hij zich-zelf overbodiger geleken : een verkluizenaard priester, die voor een bigotte secte, in een wijdomme eenzaam en verlaten oord, spreekt, de inwaart ziende oogen half-geloken, over zoete droomen, in zelfbedwelming, een egoïstisch waangeluk, terwijl de moederwereld kraakt en brandt en duizendtallen naar hun eindend noodlot ijlen, en aller harten nooit geweten diepten worden opengebrijzeld • hun diepten van heldenmoed, hun diepten van haat en pijn' hun diepten van angst en machtelooze liefde, waarover vrede zoo kunstig-bedrieglijk vlechtwerk van stroowisch, zoden en bloemen had gelegd, dat 't alles vaste aarde scheen, een effen vlakte. O, Vrede en Oorlog beide, goddelijke jagers,

hoe hebt ge feilloos vervuld, waartoe ge geroepen waart

het onvermoed-diepe hart den al te genisten geest tot een val te stellen, waarin, door al schijnvastheid heen, hij opgejaagd stort en zich wringt op de spietsen van een borend voelen . —Want de kunstenaar, die zóó zich-zelf en zóó deze wereld ziet, hoe zou hij 't wagen te spreken over wat

weaenanascne Kunst VIII

Sluiten