Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoudt zij iets nauwelijks minder kostbaars voor ons : ons

zelfvertrouwen, onzen moed tot en lust in ons werk

De fantasie der romantische verwikkeling is, jammer genoeg, geen hollandsche gave, en terwijl dan ook Betje en Aagje, de twee ras-epici, al in taal en stof, in merg en nieren hollandsch, dit ook zijn in de soberheid hunner „intrigue", versterkt het excessieve harer fantasie Mevrouw Bosboom's toch al in 't oog vallend aspect van meer uitheemsche, cosmopolitische schrijversfiguur. Met welk een zwier, en in hoe sierlijk en onvermoeibaar een vlucht onderneemt haar literaire ooievaar niet telkenmale de reis, om franschige kindertjes bij hollandsche ouders onder dak te brengen ! Had Sand kennis kunnen maken met Majoor Frans en Langs een Omweg, zij zou allicht hebben uitgeroepen : „M'n hemel, ik wist niet dat mijn Lucienne de Valangis zulke aardige stiefzustertjes in dat water- en polderland had!"—Met voordacht weidde ik hier niet uit over hare historische romans ■— ongetwijfeld dat deel van haar werk, waarin, gelijk ik reeds aanduidde, haar zeer bijzonder saamgestelde en groote genialiteit het best tot haar recht komt — : de historische roman valt niet binnen het kader dezer studie. Mijn doel was slechts te doen uitkomen, dat zoo de hedendaagsche hollandsche schrijfster van realistische romans den blik tot het verleden mocht keeren, omdat het haar lief zou zijn daar vrouwelijke zielen en harten te beluisteren, die één met haar zijn in aesthetische overtuiging, één in epischen hartstocht voor de waarheid en in trouwe liefde voor de onvervalschte, zilt-frissche, stoere hollandsche taal, één ook in gedweeën deemoed jegens de inspiratie van het leven en het genie, zij er geen zoo waarlijk groot, geen zoo natuurlijk-schoon, geen zoo speelsch en ernstig, zoo diep en luchtig zulle/i vinden als deze Agatha Deken en Elisabeth Wolff-Bekker. Van Holland's grooten materieelen regenerator, de zee, waren hunne werken de geestelijke en klare spiegeling: zoo plechtig en vroom onder den wijden hemel van Agatha's avondlicht, zoo bruisend en fonkelend onder Elisabeth's zonnestralen . . . Hadden de weeïg-zoete domineesliteratuur, de huilerige en valsche romantiek, het rethorisch vaderlandslievend gebral, dat zich zoowel kon verdragen met de imitatie-manie ten opzichte van het uitheemsche, het niet belet, men zou hen

Sluiten