Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AUGUSTA DE WIT

Er zijn diepten in onze ziel, die het ongeduld niet bereikt. Van de koorts van het leven, het armenstrekkend verlangen dringt een roep daarheen, en hij wekt niet dan een dróóm • een vage, kleurige schijn glijdt voor slaaps donker-holle, éven zichtbaar geworden wanden, onze ziel heeft duister geglimlacht, murmelend gesteund, en het is voorbij Het is die diepste psyche, die roerloos wacht, en weet nie't dat zij wacht, op een ongekenden bevrijder, een ongekenden tijd. Tot die gekomen zijn, is zij als een land, waarover goudzoekers loopen en splijten daar den grond en graven hier, en wekken een dreun, een siddering in de vaste diepte niet meer, en vinden niets en gaan ontmoedigd heen ; maar eens en plots de bevrijder komt en slaat zijn spade en delft de aarde open en juicht en draagt een schat naar boven in

het flonkering-wekkend licht Wat en waarom is dit ? . .

dat m onze jeugd en soms nog jaren later, leed fel in ons boort, vreugde klinkende in ons dringt, en wij voelen vaag dat als een ver in ons verborgen iets nu naar buiten kon treden en zich paren aan die vreugde of dat leed, er een schoonheid en een schittering zouden worden geboren

En wij wachten lang vergeefs Maar zelden of nooit

gaat een leven voorbij, zonder dat de bevrijder is gekomen Want er is niets wat leeft in heel de wijde wereld of het is een goudgraver in de menschenziel. De vogel die zingt, de bloem die geurt — zijn zingen is een vragen naar dien schat, haar geuren een overzwevend vorschen naar dien schat; de wereld met hare ontelbare wezens en krachten wordt niet moede te graven in, te pijnigen de ziel, tot zij dien

Sluiten