Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dan : datzelfde mystieke element schijnt mij zoo versoberd en getemperd in haar door de voorzichtige reserve van wetenschappelijk-ontwikkelde westerlinge, en zich zoo wonderwel te verdragen met een zekere soliede effen koelheid en practischen blik van wellicht ook een weinig verengelschte Hollandsche, dat er geen enkele reden zou zijn op te" noemen, waarom de keltische mystiek, die haar reeds vroeger s<tÏ'fe* je bebben getroffen — men denke aan haar prachtig ' 11 f, — niet de »muziek van haar ziel zou hebben lo's-

gelokt' — Beschouwen wij echter haar later werk, dan

licht daaruit eene andere verklaring op, te aanlokkelijk, dunkt mij, om haar niet te willen aanvaarden. Zoo het haar eens gegaan ware als van Heemsbergen in „De Godin die Wacht'en zij, gelijk hij, vóór zelf Indië te aanschouwen, niet alleen datzelfde brandende verlangen naar het Oosten had ondergaan, maar dit, evenals hij, ontvangen of althans enorm versterkt had gezien door het onderricht van een anderen de Grave, zij het, dat zij diens liefde voor en kennis van net land uit zijn geschreven dan wel gesproken woord had ingedronken. Want is dit vermoeden juist, dan kwam zij niet naar Indië als zij naar zoovele landen was gegaan, met een koele begeerte en een verstandelijken-vorschersblik, maar Indië was dan voor haar een gedicht, waarvan zij eenige goddelijk-schoone strophen in een wel schitterende vertaling maar dan toch slechts een vertaling had gehoord en nu, eindelijk, naderde het hooge oogenblik waarop het zich zou gaan ontvouwen met al zijn wonderen van schoonheid in de moederspraak. Haar ziel mag gebeefd hebben van verlangen maar het was een stil-innig en een zoel verlangen; het oog verloor zijn kouden vorschersblik, het is vol vochtig omsluierde en bedeesde glansen, het schouwt naar buiten en ziét innerlijkheden : het krijgt de macht van het geestelijk gezicht, de macht te „verschoonen" wat het ziet... —

En nog iets anders zal toen in haar zijn gebeurd, een dier mysteries, die wij wel ondergaan en aarzelend kunnen

benoemen, maar tot in hun diepte peilen niet Wanneer

wij een groote kentering in ons leven naderen, schókt onze ziel als voor een vaag vermoed gevaar of groot geluk, een god heeft zijn vinger opgeheven en ziet ons aan : Weet wel

Sluiten