Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diep of fonkelend woord toefluistert en met een weinig van zijn eigen overvloeienden zielsrijkdom den geringeren vriend vorstelijk vermooit .... x)

II

Keeren wij ons thans na een vluchtig beeld van den scheppenden geest te hebben ontworpen, tot zijn werk En ongetwijfeld, dit is immer een daling, een daling van den toren, die de stad ver te boven rijst en uitziet over al haar straten en huizen en heel haar menschenwemeling. Nu zullen er de muren zijn, die den blik begrenzen ; de menschen-gelaten en -handelingen zullen wij van nabij zien en niet immer zal, als toen wij in vogelvlucht op het kleurig geheel neerschouwden, onze gewaarwording een louter aesthetische zijn : ons sociaal gevoel zal allicht worden gewekt, onze liefde en onze haat, en er zullen oogenblikken komen, waarop wij zullen vergeten, dat wij hier kwamen alleen om schoonheid te genieten en dat wij ons zelf beloofd hadden alles achter te laten daarginds m de droeve wereld, dat ons daarin zou kunnen hinderen — maar het zullen dan ook niet meer dan oogenblikken zijn, want telkens zal van uit de beheerschende hoogte het klare en metalen carillon, het altijdt-zelfde carillon, door zijn klankensprenkeling onze ziel vermanen, wijs en vredig te zijn en de schóónheid te zien.... —

Het was toen de nederlandsch-indische Ietteren iri ergerlijker mate grootheid en voornaamheid misten dan de hollandsche in Wolff en Deken's tijd, dat Augusta de Wit, eene andere regeneratnce, de beteekenisvolle daad verrichtte, die ook hun herboorte in de wereld der kunst belooft: zij publiceert haar „Facts and Fancies about Java." Dit boekje is een loflied op, een jeugdig juichen over het zich openende leven en nimmer was wel loflied meer ont-dekking van schoon en

') De m. i buitengewoon gelukkige uitdrukking van: „grootere makkervoor „genie of artisticiteit" is van Mej. de Wit. Men zie De Godin die Wacht: het gesprek tusschen den franschen schilder en Van Heemsbergen

Sluiten