Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heimkeer ; naar de koelte als een zegening om het kloppende hoofd en de gloeiende handen ; naar den daverenden opstand van de vaderlandsche zilte winden : een zielsbehoefte na den loomen zonnevree daar ginds. De neiging naar oostersche > romantiek en mystiek, nu rijkelijk bevredigd, zinkt terug, en de andere zijde harer individualiteit, de meer practi; sche, de koele, de klaar-oogende, zal thans hare bevrediging \ vinden. De her-ontwaakte nobele en ingetogen Westerlinge, wendt zich af van de al te weelderige praal: langs den weg der Ada-visiën heeft ze zich huiswaarts gespoed, en daar herkent hare nimmer-falende intuïtie als het edelste en beste het lijden der nooddruft en de grootere innigheid, de aandachtiger liefde van het westersch, bezonken gemoed. Tegenover de indische, wrekende Moeder Aïssa : de zich-zelf en eigen liefde aan haar kind offerende hollandsche Moeder, de lieve innige, onvergetelijke Marretje. Tegenover de overspelige Dalima en lichtzinnige Djalil: de hun ouder- en broederliefde nooit verzakende en geduldig-wachtende Marretje en Tijmen. Hoe superieure figuren ! En welk een heil, na in den vreemde te hebben geleefd en gewerkt en stralende droomen van schoonheid te hebben gedroomd, zoó het vaderhuis te hervinden, vertrouwd als vroeger, maar dierbaarder geworden door afwezigheid, maar verschoond omdat verlangende liefde het ziet. Welk een geluk, dat nu als het waarachtig en innerlijk schoonste te voelen. Want aldus moet het haar zijn geweest, hoe had zij anders

zóó dit boek kunnen schrijven O, de zachtmoedige

wreekster der kleinen en verdrukten, die hen hier met een schuchter-innig verklarende sfeer van allerteerste genegenheid omvlijt ; de vrouw met de van ontroering vochte oogen en de troost en liefde murmelende lippen ....

Stil, ween niet om de grauwe ontbering der armen, welke ge bij het lezen dier bladzijden zult voelen; dat alles, dat 't U doet kroppen in de keel, al dat ontzettende m dit boek : het tuberculeus worden en verdorren van jonge kinderen in de vlasspinnerijen, het sterven van den geliefden man uit het armoe-ondermijnde geslacht, het wegbrengen door de arme Marretje van haar eenig overgebleven bezit, haar lieve, lieve kind, naar de vreemde, njkè vrouw, die het tot haar zoon wil maken — omdat 't bij haar, de

Sluiten