Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blik aangetrokken en lachte ingetogen. En daarna glimlachte ik, en het duurde geen minuut of alle vrouwen en mannenhoofden — zij waren, op mijn woord, ik wil 't niet mooier maken dan het was, zorgen-gegroefd door het leven en vergrauwd — hadden zich schuin en recht naar haar voorovergebogen en zonnig geglimlacht. En daar was één oud heer, die had wat meer tijd noodig vóór hij ontstramde, maar eindelijk dan ook stak hij het kleine wezentje op haar schoot niet meer of minder dan zijn kostbaren, zilvergeknopten, zeventigjarige-jubileumsstok toe, dien hij anders, denk ik, nooit door een ander laat aanraken—uit vreeze, dat de inscriptie zal worden bekrast — en liet hem maar beduimelen door de groezelige handjes .... — Stil, schud niet nu reeds uw hoofd over den weeën aanblik van een critischen demon, die sentimenteel wordt .... Want, helaas, wat zult ge dan straks wel zeggen ! . . . . En ach, misschien is het wel een fluisterende herinnering aan, een vaag verlangen naar mijn verloren hemel van ongecompliceerde gedachten en sentimenten, die mij trots uw ironischen glimlach nu doet neerschrijven, dat ik toen de zoete gewaarwording kreeg, alsof wij allen, vreemden voor elkaar, voor één korte pooze samen in die tram, in waarheid plots als vrienden in volmaakte tevredenheid en zachte stemming bij elkander zaten, en „blij en goed" waren — dien korten oogenblik. Dit was een wonder, zeker ! Maar zoo het niet is om een wonder te doen, waarvoor zit er dan anders een engel in de tram ? En nog wel zoo'n ontraditioneele engel, die van geen dichter nog had geleerd, dat zij niet met geele piekharen en wortelrooie vingers en een huishoud-beurs moet verschijnen; een engel, die nog niet eens van eenig poëet een naam had ontvangen, en die ik, misdeeld van scheppende fantasie, nu moet noemen : de moeder-met-'t-kind-in-detram. O, hoe deze moeder-met-'t-kind-in-de-tram zich dan ook onderscheidt van alle andere moeders en hoe mij de vingers jeuken om u haar zeer uitzonderlijk en beminnelijk beeld te schetsen. Maar heb ik gelukkig haar te veel voor deze studie te danken, dan dat ik hier het verschijnen harer figuur zou moeten verontschuldigen, te weinig anderzijds is het weer, om de introductie van het andere figuurtje te vertragen, dat mét haar de droeve glorie mijner erkentelijk-

Sluiten