Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

macht dan ooit is gestegen het geluidlooze binnenleven van den geest, het strenge en oer-goddelijke, dat ook wel vele kleinheden en lieflijkheden, veel lachen en schreien en lieven van het lijfelijk bestaan nog kent, ja zelfs vele dingen van nut en weelde door menschenhanden en vernuft geschapen zich herinnert en die, ze verobjectiveerend, door de macht van zijn denken uit zich projecteert,x) maar toch : die alle niet als ze schenen in het aardsche leven, maar onwezenlijker èn wezenlijker tegelijkertijd, want ontbloot van gemeenzaamheids- en gewoonte-schijn en als tot platonische oerbeelden geheiligd. Hoe menig weidsch en luidklinkend opschrift boven die laagstemmige en ingetogen prozagedichten van Adriaan's leven doorvoelt ge als de overgang en verbinding, tusschen de droomsfeer der gedichten en die der handeling, waarin wij toeven. Zij roepen ons, harden en luiden, tot deze teerheid en stilte; wij echter zijn van ons eigen rumoeren verdoofd, dies roepen zij zoo luidklinkend. Wij begrepen ook den zin van dat mysterieus gefluister nog niet, daarom verklaren zij het; in hen waakt éven de droom tot de heftigheid en kleurrijkheid van ons bestaan... Als de gongslag in Augusta de Wits Prinses zijn zij, dien schoonen donder, die in den stillen museumtempel het visioen der gestorven Javaansche sultans-glories éven tot een kleurrijker en heviger leven roept. Daar : de Javaansche prinses, tot herdenken en peinzen het museum ingetreden, hoort en ziet plotseling, en zinkt snikkend neer . . .. — Hiér : ontroerd en getroffen door dien schoonen roep midden ons onschoon leven, neigen wij ons nu althans in gewijder aandacht tot den Adriaan -droom .... Maar als de slag, als de roep is verklonken, is er weer het wevende zwijgen .... Zijn er weer niet anders dan de koelscherpe beeldingen van den diepen, strengen, weidsch-

') Ook bijna alle voorwerpen die Adriaan omringen, ziet men gelijk hij ze ziet, en zijn zien is dubbel verwant aan dat van genen droomer. De eene verwantschap is die van het psychisch kind Adriaan, voor wien de sfeer der heftige handeling niet bestaat; de andere is de van het kind. Deze droomer ziet alles nieuw en ongewend uit de nieuwheid van zijn eigen ontlijfd bestaan; het kind ziet alles nieuw en ongewend uit de nieuwheid van zijn pas belichaamd wezen.

Sluiten