Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brière, een Ada Vervoort, zijn doorlicht en hóe verreikend een Ammy Terlaet in haar afwerende koelheid, haar weerzin tegen sexueele hartstochtelijkheden is begrepen. Ën soms — welk een plastiek, door bijna niets dan zich niet opdringende herhaling van één trekje, één toets bereikt! Zie Jan Terlaet's zwaarmoedige bisonskop, hóór zijn stuggen stok bekloppen de drempels en trappen. Ge vergeet hem nooit. En denkt ge aan hem, dan herdenkt ge ook in schrijnenden weemoed, zijn nobele, onbaatzuchtige liefde voor de gestorven schoonzuster, de verafgode Amelie, die voor zijn oogen en ooren, voor zijn in het verleden rondtastende zinnen en ziel, nog altijd leeft midden de oude stemmingen van het oude huis. En als ge dan terugwijkt van die grootheid en U te binnen brengt, hoe ook het kleinere leven in dit werk is geheeld 1 .... De zoo goede, en toch zoo gemaniëreerde, ja in nagenoeg heel zijn doen en laten veronechte de Corte.Welk een heerlijke schepping is deze figuur! Hoe allernauwkeurigst is hij ontleed èn synthetisch levend gehouden, voortdurend, zonder één fout, in dl zijn uitingen — zijn prachtig en met buitengemeen fijn begrip volgehouden rethorisch spreken bijvoorbeeld! En o,, de aandoenlijkheid van zijn plots opvlammend zelf-inzicht, en bovenal dat schitterend-juiste en aangrijpende van hoe de verwrongen, kleine, gemaniëreerde geestelijkheid van dien man plots en immer tot die van een eenvoudig natuurmensen wordt, als hij alleen is met zijn

heerlijk frissche kind, met zijn Jet — En, na deze twee

uitersten, zie ook naar het middelmatige leven : die zachte, bescheiden liefde, die van eigen offers niet weet: in Lena,

Professor Terlaet's concubine — Hoe eenvoudig en

ongekunsteld is toch dit werk : hebben wij niet nagenoeg al zijne figuren wel eens in het werkelijke leven ontmoet ? Denk aan Lot, de arme kinderlooze, de lievelingsdochter van meneer Terlaet, die haar tijd tusschen vader en man moet verdeelen en ten slotte geen van beiden tevreden kan stellen ; denk aan dien man-zelf, dien prachtkerel, in zijn opofferende liefde voor zijn krank-nerveuze vrouw en in zijn zoo goed door de schrijfster geziene en geheelde reactie daarop ; zie hem loopen met het opgetogen Jopie op zijn schouder op Hogher-Heide, en de geheele scène die zoo waarachtig-natuurlijk daaruit voortvloeit .... Hogher-Heide !

Sluiten