Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid ; — nu eerst Catherine. — Gelijk de heel kleine en onbewuste uitinkjes, een nerveus beweeg van de handen, een verschikking in het gelaatsmasker, den inzichtige een veel betrouwbaarder gelegenheid bieden tot het kennen van iemands aard dan diens daden en gezegden, welke allicht onder den dwang van het waaksch geworden bewustzijn verkeeren, zoo zijn er ook in een boek van die héél kleine feitjes, welke, in bekoorlijke tegenstelling tusschen hunne uiterlijke nietigheid en innerlijke beteekenis, u een wereld blootleggen, die ge anders niet zóó klaar zoudt hebben doorschouwd. Bemachtigd door de critische aandacht worden zij als ware 't kleine steentjes, die, door haar geworpen, tot in de uiterste diepte van den menschelijken zielsafgrond geraken: volgt uw gehoor het geluid van hün val, dan kunt ge zijn diepte raden, en anders niet. — Zulk een gering en toch zoo beteekenisvol feit is, dat het jonge meisje Catherine, van het begin tot het einde van het boek, nooit anders door de auteur dan „het kind", tenzij dan bij haar naam, wordt genoemd. Deze nukkige, schuw-trotsche,half-verwilderde deern uit een verworden steenbikkersgezin moge voor haar nagenoeg idioten oom een treiterende duivelin zijn ; voor de andere versloofde, door hun kerels uitgevloekte en neergetrapte steenbikkerswijven, die haar des te feller hoonen naar mate zij haar heviger benijden om haar onbuigzamen trots, een kwaaie meid, die 't achter de mouwen heeft en 'n ongeluk voor 'n man zou zijn ; voor den voerman Lambert de liefde van zijn hart niet minder dan van zijn jonge zinnen, die hem klaarblijkelijk rustiger en zachter maakt dan de anderen van zijn slag — voor de schrijfster is zij dat alles èn toch niets dan : h e t kind. Zoodra ge dit kleine feit in zijn groote en ontroerende waarde hebt doorvoeld, beseft ge reeds de moederlijkheid het machtige grondsentiment te zijn, waaruit hier veel ontbloeide, dat de kunstenares tot zoo schoon een beeld van wezen en leven kon vormen ; de moederlijkheid de aanleiding tot ontplooiing dier stoere kracht, waarmee zij blootarmig op den vlonder met resolute bewegingen van aanpakken en raak-doen, de lijnwaden der taal van hun oude beduimeldheid wascht en ze ineen wringt en uitwringt tot kantige en hoekige ballen, en klets weer uitflappen laat over het geurige grasveld

Sluiten