Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen zou kunnen noemen, naar de suikerfabriek gegaan. Hij heeft nauwelijks iets anders in zijn hoofd dan het plan, 'n paar gulden van den machinist Boeles terug te krijgen, die hij niet eens noodig heeft. Hij is doodziek, en die meesterlijk-beschreven scène in het ketelhuis, met dien rossigen, woest heen en weer springenden, hem plagenden Hercules, maakt hem nog zieker. Boven in de fabriek, op 't kommiezenkantoor, zondert hy zich af, om even te rusten : dan zwijmelt hij weg in een korte sluimering. En weer na 'n paar minuten ontwaakt ,,leek het hem of er plotseling een kloof zich gediept had, in die luttele oogenblikken, tusschen zijn bestaan van ervoor en nu." En dan volgen die diep-peilende blz. 38-41 (Vier Vertellingen), waarin de aanvang der wijsheid in dezen heel kleine uitlicht en de rust der contemplatie, die de wijsheid met zich brengt. Is deze dichterlijk-zacht gestemde, wijs-berustende, diep-in de dingen aanschouwende en tot eene verklaardheid gekomene — is déze wel dat peuterig-kleine, miezerigeerzuchtige, dat langzaam-koppige ambtenaartje ? Ook gij spreekt allicht van den naderenden dood, maar acht ge dan tevens daarmede het wonder verklaard ? Alsof één, zelfs de dood, ons plots iets psychisch-waardevols kan schenken, alsof wij dit waardevolle niet moeizaam moeten verwerven door het leed en hét zwoegen onzer ziel — die nog iets anders zijn dan „het zweet onzes aanschijns", waarin ons geheeten werd ons brood te zullen winnen, niets meer dan ook dan ons brood ! .... — Maar ach, hebben wij éllen niet wel eens die waarheid miskend ? . . . . zoodat wij waren als dronkaards in den lichtloozen avond, en tèlden met onze rechterhand ons eigen geld in den linker en zegden den denkbeeldigen gever dank voor de gift ? . . . . Neen, diep-in, wellicht reeds zijn hééle teleurstellende leven lang, sluimerde deze wijsheid in het kleine kommieske ; deze mdcht tot wijszijn, zij was nog niet stérk genoeg, zich in hem te openbaren. Zelfs nu wordt zij hèm niet als wijsheid bewust; alleen : zij leeft nu luid-stemmig in hem, terwijl zij vroeger zwijgend leefde. Daar waren altijd zooveel zorgjes, zooveel eerzuchtjes, zooveel willen-wat-niet-kon .... Deze arme dwaas, die zoo wijs was, en nochtans zocht en zocht en niet wist waar te zoeken en naar wat....

Sluiten