Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ook in zijn jonge dagen, nog zóó lang vóór het sterven, heeft in dit leven zich het streven naar en de weerschijn van het. hooger-menschelijke getoond. Ik weet zeker, dat gij spottend lachen zult als ik het u laat zien. Er is ook geen enkele reden waarom gij niet zoudt lachen. Gij en ik, wij hebben deze dingen in talloozen om ons heen zien gebeuren en vonden ze bespottelijk klein en kleingeestig en peuterig, en nu eene kunstenares als Margo Scharten komt en ons, door hare invoeging van iets dergelijks, in het geheel van het door haar beschreven leven, en door die invoeging alléén1) ons de oogen opent, zijn wij toch nog zóó gewend aan het spotten en lachen .... — Maar komaan, laat ons dan lachend naar dit dwaze gebeuren in 't leven van 't kommieske zien. Ook in zijn jeugd was hij commies op een suikerfabriek, en toen hij er een paar jaar werkte had hij het plan opgevat, in den drang zijner kleine eerzuchtjes en de hoop „later" iets te worden, eene volledige beschrijving van de suikerfabrikatie te maken. Zoo gedacht, zoo gedaan. Dan, gereed met zijne beschrijving in „de mooie, lange zinnen van den officieelen stijl der handboeken", doet hij dit:

„Toen het klad klaar was, had Geerlen een boek mooi gelinieerd papier gekocht en met een eindeloos geduld en gedoe was hij aan 't kalligrafeeren gegaan. Een pronkstuk van werk was het geworden, twintig groote vellen schoonschrift, met roode-inkt kantlijnen en onderstreepingen, met geteekende rondschrift-hoofdletters, een preciese punctuatie en zonder taalfouten.

„Later had hij er zelf een stevig bruin kaft om geknipt en het boek ingenaaid met een rood zijden sigarenbandje, dat in een geplozen strikje op den buitenrug kleurde".

Maar toch — zullen wij nog wel lachen, al houden wij ons niet met dergelijke futiliteiten bezig en al besteden wij onzen

') Ik bedoel: er blijkt uit niets, dat onze schrijfster-zelf de beteekenis van dit gebeuren heeft begrepen. Het zou mij niet verwonderen als men ook hier met een geval van niet geheel of juist begrijpen van eigen schepping door een groot auteur te doen had. Men zie hierover mijn „Over Literatuur", eersten bundel blz. 239, noot, — over Multatull — en vooral blz. 267—269 — over Wolff-Deken — de Blankaart-figuur. Nederlandsche Kunst VIII 9

Sluiten