Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zame, zoowel als momentaneele, gesteldheid van dien kerel, in en door die handen. En wij zien die, zonder dat der schrijfster eenige gewildheid of gewrongenheid kan worden ten laste gelegd, doorheen de angstvisie van een oud schooierswijf ! .. . . — Geheel anders het tweede verhaal. Een echtpaar uit klaarblijkelijk voornamen stand leeft oogenschijnlijk zeer gelukkig, en de lezer mag zelfs vermoeden, dat 't het vrouwtje-zelf onbekend is, dat zij haar man niét gelukkig maakt. Hij echter, vertwijfelend, verzwijgt, een avond met haar over een donkere kade gaande, dat die opgebroken is, en loopt willens en wetens met haar het water in. Zij sterft, hij wordt gered, maar blijft zwak en ziek, en biecht, na wat aarzelens, op zijn sterfbed de daad aan een intiemen vriend, die het kinderlooze echtpaar bijna eiken avond gezelschap hield.

Ik heb het reeds meermalen gezegd : het is niet onverschillig voor kunst wat haar gegevens zijn. In elk wezen, in elk ding, kan zij, moét zij, wil zij waarlijk kunst zijn, God-het-Innerlijk benaderen, maar hoezeer verschillend in de wezens en de dingen zijn de wegen naar Hem. En het zijn deze wegen, die de gang der kunst strompelend en struikelend, dan wel gracievol kunnen maken. Men zie ook hier hoe het gegeven van het tweede verhaal, véél fijner en gecompliceerder dan dat van het eerste, eene adequate b e e1dings - macht in onze kunstenares vindend, een kunstwerk heeft helpen stichten, dat, ook in sommige onderdeden beschouwd, van hoogeren aard blijkt dan het kunstwerk van het eerste verhaal. Allereerst in den aard der „hand-psychologie". In Het Geld van den dooden Man leert deze ons niets, dan wat wij klaarblijkelijk uit de geheele uiterlijke wezenheid van den bruten krachtkerel hadden kunnen begrijpen, en ware het niet, dat zij uitsluitend en geheel natuurlijk in het angstspeuren der vrouw tot ons komt, zij zoude moeilijk aan den schijn van een geheel overbodige en gewilde zonderlingheid te zijn künnen ontkomen ; daarentegen in Een Eenzame verschijnt zij als een hoog te waardeeren hulpmiddel, dat ons vóór en beter dan elk ander den weg tot die menschenziel heeft geopend, en behoeft hare aanwezigheid dus geenszins haar rechtvaardiging in het gewaar-

Sluiten