Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen, nog in de Zijdveldsche Dwarsstraat kwam, bracht zij iets mee, een matje voor de zoldertrap, een aschbakje op den kamerschoorsteen, iets dat zij zich bezonnen had nog te ontbreken, en dat zij van haar laatste spaargeld dan kocht. Zij zette het er neer met een vrome bedachtzaamheid, alleen in het stille huisje, zooals een Roomsch vrouwtje een bloempotje zetten zou voor een zij-altaar van haar kerk...." —x) Het door mij gespatieerde bevat eene vergelijking, schijnbaar uit eene toevallige en ephemere gedachtenassociatie opgekomen, in werkelijkheid beduidt zij echter de ontluiking van het religieus sentiment, dat men in de beschrijving van Sprotje's laatste levensdagen in vollen bloei zal zien staan. *)

In die onovertrefbare bladzijden leefde in de ziel onzer kunstenares die religieuse verklaardheid van de moeder, die haar kind ziet scheiden en in het verslonken gezicht reeds dat van een heilige en een engel ziet.... —

Het zou moeilijk zijn, zonder in herhalingen te treden, er thans nog eens op te wijzen, dat, gelijk jegens Catherine, de houding van den kunstenaarsgeest tegenover Sprotjezelf eene andere is dan jegens de andere figuren van het werk, of te willen aantoonen, dat een zelfde oorzaak als in C a t h ef ine ook hier daaraan ten grondslag ligt. Maar waren de bijfiguren in Catherine góed, in Sprotje zijn zij met zulk eene voortreffelijkheid gebeeld, dat het ongeoorloofd ware, ze stilzwijgend voorbij te gaan, al moge een bespreking ervan, na al het gezegde, ons geen dieper blik in de schrijfster kunnen geven. Een enkel woord dus slechts. — Er wordt den lezer in de beelding van 't milieu, waarin Sprotje leeft, van de „nette dienstjes", waarin zij haar zwoegleventje moet lijden, een waarlijk nièt-alledaagsche kijk in het bestaan van het kleinburgerlijk en arbeiders-proletariaat geboden. De sjofele heerigheid van Meester Jonkers met z'n schoolvos-nuffige veeleischendheid ; het binnenshuis-verholen, nooit-verpoozende voortjakkeren van juffrouw Jonkers om haar boeltje, haar parmantigen man en

') Spatiëering van mij.

s) Sprotjes verder Leven, blz. 121—124.

Sluiten