Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d i g h e i d dan dezer beiden kunst moet niet gene zijn, waarin het Scheppend Bewustzijn niet slechts beeldt maar ook oordeelt in en door de beelding. Welk een rijker kunstvaardigheid moet zich hier vertoonen, welk eene subtiliteit in het hanteeren der stof, welk een subliemheid in het verwerkelijken der conceptie 1 Bedènk, bedenk het wèl, wdt dat beteekent: zóó in het weefsel van het oorzakelijk verband, zonder een draad te breken, het oordeel en het vonnis te verweven ; zóó geheel natuurlijk de menschen en dingen hun vrije, slechts door hun eigen aard en de omstandigheden bepaalde leven te laten leiden en toch het oordeel over hen, luid hoorbaar voor ieders ooren, uit dat leven-zelf te laten opklinken ; zóó de menschen geheel natuurlijk te laten spreken, overeenkomstig hunne omstandigheden, stand en aard èn — zij-zelf weten het niet dat zij het doen : — hun eigen vonnis en waarde mede door hun eigen mond te doen verkonden ; hen tot een zelfbespotting te stellen met de wréédheid van een God, met de héérlijkheid van een God .... Dit subtiele, dit sublieme, deze fijner kunstvaardigheid, deze vollediger en rijker kunst, Margo Scharten heeft ze feilloos bereikt in haar De Vogelaars. Men vergunne mij dit hier aan te toonen. De beide priesters, Don Alessio, verfijnd en vurig, en Don Matteo, wat boersch en flegmatisch, zijn bijeen in hun roccolo, om alles voor de wreede vogelvangst in gereedheid te brengen. Zij doen dit met gretigheid en blijdschap in hun werk, in volkomen gerustheid des harten. Zij, „de verkondigers der Liefde", „de dienaren van den Heiland", die den menschen dagelijks in straffe sermoenen, hun ondeugden van wreedheid en bestialiteit verwijten — zij hebben geen flauw begrip van de wreedheid, die zij zoo aanstonds zoo blijde zullen begaan ; van de bestialiteit — het woord is naar mijn begrippen waarlijk niet te sterk — waarmee de jachthond, het roofdier in hen, „priesters van den God der Liefde", daar aanstonds de vogellijfjes zal breken en de teere kopjes verpletteren. Zij zitten daar bijeen, zoo weinig bewust van de boosheid en wreedheid van hun voorgenomen werk, dat de gedachte daaraan allerminst hun denken aan goddelijke en gewijde zaken stoort:

„„En toch is de natuur listig, misleidt en verstrikt er

Sluiten