Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s t y1e" ; de drie vaste figuren van den man, de vrouw, en de(n) noodlottige(n) derde. Hij legt er echter nadruk op, dat het er evenwel slechts negen van de tien zijn; er blijft nog iets anders over — ; en hij wijst erop dat ten allen t ij d e een deel — het grootste — van de tooneelproductie fabriekmatig was ; en dat daarnaast dan toch altijd nog de artistieke voortbrenging haar—uitteraard kleinere — plaats innam, en blijft innemen. Doch als hij dan in een nadere beschouwing treedt van de huidige tooneellitteratuur, en als na zijne introductie Séché en Bertaut zelf het woord nemen, dan blijkt het evenwel, dat er zeer zeker veel verscheidenheid is op te merken ; dat ook het echtbreuk-drama, als men de historie ervan gedurende een halve eeuw overziet, nog wel belangrijke gegevens betreffende de evolutie van maatschappelijke en zedelijke denkbeelden kan verschaffen ; dat de tooneelstukken die speciale maatschappelijke quaesties behandelen, historisch belang hebben ; maar zoomin de auteurs van het boek zelf als de voorredenaar overtuigen ons toch van een groote origineele artistieke productie van beteekenis ; van nieuwe, groote levensvizies.

Integendeel — Faguet zegt het zelf aan het slot van zijn inleiding : het groote verschijnsel is, vooral na 1870, „dissolution" . .. Laten we hieraan de opmerking mogen toevoegen, dat zij de teekenen van een nieuwen dageraad hebben misduid of niet gezien. Van Maeterlinck ; van wien alleen , Intérieur' besproken wordt, — nota bene in het hoofdstuk ,Le fait divers au théatre' 1 — wordt de beteekenis volkomen miskend ; Claudel wordt niet eens genoemd — het is waar, dat zijn werk het eerst in latere jaren tot een opvoering bracht. Inderdaad heeft in de laatste tien jaren, toen de republiek en hare materialistisch-democratische idealen het geheele leven in Frankrijk

Sluiten