Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Frisscher doet de ironie aan van ,De Idealisten' ; het stuk is zeker belangwekkend, door de zeer goede, beknopte en dramatische, karakteristiek die hier wordt gegeven van „de idealisten" ; die idealisten namelijk, die zonder helderheid van blik en zonder humor de wereld willen verbeteren. Maar de wijze waarop hier met den naam van Jezus wordt omgesprongen, bederft mij veel. Een indruk van schoonheid trouwens rezulteert er voor mij niet uit dit werk. Want het slotwoord van den lieven braven dominee Idse:

„En toch, — en toch, —en toch zal LIEFDE WINNEN !"

maakt, door deze personnage gesproken, niet den gewenschten indruk. Immers we voelen niet, dat deze zwakke brave zich onmogelijk vergissen kan ; we krijgen hier wel een echt „slotwoord", maar niet één dat de meesleepende rezultante is van een overtuigende handeling.

Maar erger, jammerlijk voos is het idealisme van den Joodschen violist Baruch Rosenow, die in ,'t Paleis van Circe' een hoofdrol vervult. Het stuk had weinig succès, en Van Eeden gaf het toen uit met een schimpende voorrede. Hiermee eindigt de derde periode van zijn tooneelwerkzaamheid (19fo).

Vijf jaar later is, naar 't schijnt, een vierde periode, een romantisch-historische, begonnen, met ,De Heks van Haarlem' (1915) en ,De Bokkenrijder of het Skelet' (1918). Een onderhoudend stuk is ,De Heks', .treurspel der onzeekerheid', waarin de zekerheid zelfs van wie een moeilijken plicht verrichten, wordt betwijfeld. De zekerheid toch van den schout Cousaert, die zijn schoonzoon wegens landverraad aangeeft, wordt evenzeer als waan voelbaar gemaakt als de zekerheid van den half waanzinnigen Godsgezant Ds. Baltens.

Sluiten