Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is maar een klein theatertje ; niet erg frisch ; bedenkelijk nauw met het Tivoli-café verbonden, en vooral wat de kleedkamers betreft, is het berucht; „het ruikt er naar dooie muizen", zeggen de artisten. Men — publiek en artisten — voelt de gebreken van dezen schouwburg echter tegenwoordig wellicht sterker, doordat men vergelijkingen maakt met den Grooten Schouwburg1). Maar zooals op zolderkamertjes gewoonlijk de meest bezielde kunstwerken worden geschilderd en geschreven, zoo Was ook de onaanzienlijkheid van het toen trouwens nog keurige, juist-gebouwde Tivoli-Schouwburgje, geen bezwaar voor De Vos en Van Korlaar om met groote geestkracht en toewijding idealen te gaan verwezenlijken. De Vos had bij dit alles de artistieke, Van Korlaar de administratieve leiding.

Het was een mooie tijd voor De Vos — voor Van Korlaar, den beheerder van de kas, was hij wel iets minder mooi. — Maar De Vos kon nu eens dat spelen, waarnaar zijn hart uitging. Hij had van jongsaf liefde voor de litteratuur gehad. In zijn jeugd had hij gemeend die liefde door de universitaire, later door de akte-studie in de Nederlandsche letteren te kunnen bevredigen2) ; dit was hem toen een voor hem weinig aanlokkelijke weg gebleken ; zeer begrijpelijk : bij de wetenschappelijke studie van de Nederlandsche taal en letterkunde bleef in dien tijd (± 1874) hetaesthetisch element zeer op den achtergrond ; en vooral: De

') In 1886 geopend.

') Zie .Onze Tooneelspelers'. Rotterdam, Nijgh & van Ditmar's UitgeversMaatschappij, 2de druk, blz. 167; waar men —o ironie van het alphabet I — het begin van De Vos* levensbeschrijving geflankeerd ziet door een heroïsch portret van Albert Vogel, in Romeinsch costuum — Albert Vogel, over wien hij (naar aanleiding van een boekje van H. de Boer over den voordrachtskunstenaar) zoo honend in den .Spectator* heeft geschreven I Nederlandsche Kunst IX 4

Sluiten