Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tooneelspelers waren nog in de eerste helft der 19de eeuw — hoezeer ook toen de verrichtingen van sommigen hunner door enkele intellectueelen werden gewaardeerd en op vaak declamatorischen toon gehuldigd — weinig meer geacht dan andere „spullekerels" ; ze stonden buiten de braafburgerlijke samenleving ; er ging ongetwijfeld een zekere bekoring van hen uit, vooral voor jeugdige excentrieke personen, maar 't was goeddeels de bekoring van de verboden vrucht.

Om deze schuwen afkeer van tooneel en tooneelspelers is veel gelachen; ze is echter gansch niet onbegrijpelijk. En, wat voor onze studie van meer belang is: het dient te worden erkend, dat de tooneelspeler van vóór een halve eeuw in elk geval in ons cultuurleven een zeer onbelangrijk element was. Tooneel en [kunst waren elkaar zeer weinig rakende begrippen; althans indien men „kunst" niet neemt in den zin van kunstvaardigheid, van techniek, maar in dien van schoonheidsdienst. — Dat is veranderd, toen het burgerlijkdrama in Frankrijk zijn psychologische faze had bereikt, en deze kunstsoort ook — gelijk door alle eeuwen heen met alle Fransche kunst het geval was geweest, — naar ons land werd geïmporteerd. Die eischte meer van onze kunstenaars, en bleef ook de van alle fijnere nuance vrije „draak" nog bloeien, er was toch — eigenlijk voor 't eerst na de classieke periode — weer een beter tijd in aantocht. En naarmate het psychologisch element meer naar voren trad in, en ten slotte uit het spel van sociale tegenstellingen, werd meerder verfijning eisch. Het tooneel werd langzamerhand weer een kunst-instituut, een cultuur-factor. De vervulling van deze verwachtingen, door de zeer intelligent geleide Tooneelvereeniging voorbereid, werd ten slotte onder Duitschen invloed door Royaards gebracht, dra door Verkade gevolgd. Hun besef van eigenwaarde,

Sluiten