Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die had zoó maar Ons Klein Kindje gekregen,

omdat ze zoo rein, zoo edel, zoó zeldzaam goed was.

Zoó maar! Van en door God.

Maar nu moet ieder meisje, trachten — een afschaduwing, der Maria Maagd te zijn, dat wou zeggen :

Al was er geen eèn vrouw Haar gelijk, al kon niemand Haar nabijstreven; toch Moést zij Het Voorbeeld zijn: Moest zij opwekken tot béter, opofferender leven.

Zoo werd een bruid, in haar licht gewaad juist zoo iets heel liefs; niet om het soepele, witte kleed alleen, om den geurenden oranjebloesem, evenmin. O! Neen! Maar omdat ze zoo heel eerbiedig, het andere leven — het huwelijk inging, waarin zij hoopte het Moederschap deelachtig te worden.

De bruid, die wist, dat ze waarschijnlijk wel een kindje zou krijgen, als het Gode behaagde.

En daarom trachtten allebei, man en vrouw, inniggoed te worden — dan werd hun kindje vanzelf, een hef mensch. Hoewel ongeboren, droegen de ouders het tóch bij zich; ze moesten zoó leven, dat ze met'n gerust geweten, hun zoontje of dochtertje, verwachten konden, in de zekere overtuiging dat het veel goeds, en weinig leelijks van hen overgeërfd had.

Als dus een man of vrouw, iets onaangenaams in zich had, dan moest die daar van de ander aanmerkingen op kunnen verdragen, opdat die zich beterde.

Want nou moest Liesje niet denken, dat alles rozegeur en maneschijn was in het huwelijk; dat er alleen maar getrouwd werd, om een eigen, klein huisje te hebben, en samen maar te wandelen en uit te gaan. Nee hoor!

Sluiten