Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Je moest net zoo goed nare pUcitsdingen blijven doen; een huwelijk was een samengaan door dik en dun; door modder en langs bloeiende, door de zon-gekleurde bloemen, door het alledaagsche gedoe en het intiem schoone.

En dan na den verplichten arbeid, mocht je pas veel mooie boeken en verzen samen lezen en bespreken, in verfijnd genot. En mocht je hooge, serieuze muziek samen gaan genieten. En mocht je samengaan naar den Tempel God's, vol vromen eerbied.

En o 1 je mocht veel mooie dingen zéggen: maar ook nooit vergeten kleine-goede dingen stille dóen.

't Was toch zoo ontroerend-mooi: man en vrouw

je werd dan heelemaal één — volgens simpele natuurwetten en wonderbaarlijk-schoone zieledrang.

Drang ja!

Zoó was het lichamelijke toch ook niets eng, het was juist zoo begrijpelijk altijd bij je eigen man te willen zijn, zoo vlak bij — in zijn armen, waarin hij je zoo eerbiedig-teer vasthield — en dan je armen om zijn hals te slaan en te denken: Misschien krijgen wij nu samen, zoo'n klein, popperig menschje, ons eigen, kleine kindje.

En je niet heelemaal weg te laten gaan — in dót

wat Liesje zoo leelijk vond.

Je bewast blijven, dat wou jè.

Dat was liefde, in haar Opperste Schoonheid, liefde van den Meest Goddelijken oorsprong.

En o! Als je het wist, dat je het hebben mocht zoo'n klein, schatterig popje, dan wilde je uit louter innigheid heel edel, heel grootsch staan tegenover de gansche wereld. Veel vergeven — en in nederigheid — graag vergeving ontvangen.

Sluiten