Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haten! Dat was slecht, dat was onchristelijk; ja! slecht, en ze woü niet slecht zijn.

Toch goéd wezen; toch; al waren de menschen nog zoo naar voor *r: of zoo leelijk-zelfzuchtig als tante Lize om 'n kindje te nemen.

Nee hoor! Zij — Lies — wou niet 'n egoïst zijn: want

ze hield van Jezus, en Jezus was zoo ontzettend-lief.

Zoo streed het meisje : kleine Farizeër als ze bleek te zijn.

„Moeke" begreep er niets van; was het kind zoo onder den indruk van de muziek, zou Lies niets begrijpen?

Er viel haar wat in. Behoedzaam haalde ze 'n pakje uit de bonheur.

En zij nam 'r pleegkind de handen van het gezicht weg.

— „Kijk eens, vrouwtje!"

— 'n Jurkje — nog eens 'n jurkje: 'n manteltje, 'n mutsje, alles wit zooals de witte sokjes, werden voor 't onwilligtoekijkende Liesje op tafel uitgespreid.

— „Kind! Wensen je me geen geluk?" — Er was 'n vreemde mooie trilling in tante's stem; een weeke, warme vibratie voortkomende uit 'n zaligheid, die zonder einde scheen.

Er werd iets in het meisje geraakt.

Ze verhardde zich echter; ze ging rechtop zitten, streek 't haar uit haar oogen, kortom, trachtte zich te overwinnen.

Ze voelde dat er iets gedaan moest geworden; dat er niet zoo idioot kon gezwegen worden; dat ze eigenlijk féliciteeren moest; en spontaan — blij ook.

Net alsof zij, de beroofde, zich er dol meè verheugde.

't Was om te gillen!

Sluiten