Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brrr!

't Kind sprong uit haar bed; op haar bloote voetjes tippelde ze over het zeil.

Voor het venster stond een gaatjesstoel, de zitting er half uit. De beenen opgetrokken, ging ze zitten staren naar de flonker lichtjes in den wijden, donkeren hemel.

Ze vond dat altijd verzoenend-mooi, die soms trillende sterretjes. Als er één uit de lucht zoó op je schoot kon vallen, wat een massa goud zou het dan zijn, dat pieterige, gele puntje.

Huiverend wreef ze haar bloote beenen.

Als dat kleine worm maar stierf, dan zou haar leven nog wel gaan. Er om te bidden, dat durfde ze niet, omdat het zelfzuchtig was en slecht.

— „Als hét kindje maar stierf," herhaalde ze hardop. Met heel haar hart hoopte ze, dat God het wel als 'n lossen uitroep zou beschouwen — maar hem toch verhooren.

Nu had ze er niet om gebeden, hoor! ontdook ze. Ze zei het maar zoó — voor zichzelf — en nu kon 't toch Daarboven verstaan worden.

Maar ze bad wél: „O! God; ik wil zélf als 't U belieft niet dood gaan," al had ze te mee éven gewenscht, dit was nu werkelijk 'n losweg-uitgeroepen wensch, hoor Lieve Heer!

Want vreesehjk sterven den hemel of de hel;

de knagende wormen aan je hjf. daarna. Neen, neen!

zélf wou ze niet dood.

O! ze zou dan wel, als dank, heel goed trachten te worden. Heusch lieve God 1 Met morgen te beginnen; nee! nü al. Als zij — Liesje, maar leven mocht, — en

Jaloersche hart 3

Sluiten