Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Doe die leelijke opvallende jurk uit, moeder; ik kan 't niet zien noü."

— Dan keerde ze zich zwijgend naar den anderen kant; trok de dekens over haar hoofd, om 'r moeders stem niet meer te hooren.

Haar oprechte, dwepende bewondering voor tante dreef even de leelijke, jaloersche zelfzucht wèg uit 'r hart: ze was weer heelemaal tante Lize's kind.

Krampachtig vouwde ze 'r handen; ze zwoer duizend eeden van trouw aan God, als zij, haar liefste tante, de schatterigste van alle menschen — toch maar in leven bleef. Ook al stierf 'r kleine kindje niet.

— Maar toen — als 'n wonder — de jonge vrouw er door kwam, langzaam aan herstelde, toen kwam dat harde gevoel weer terug. En ze haatte moeder en kind, bei.

— Een middag werd ze gedwongen mee te gaan naar tante.

„Die rare, onbegrijpelijke nukken moesten worden tegengewerkt" — vond mevrouw Verschoore.

Alles was hard en onbuigzaam aan het kind, zelfs de hand, die ze de jonge moeder moest geven — kouden strak voelde die aan.

De baby kon ze niet zien; ook kon ze de gelukkige, zacht, glimlachende oogen van haar, de zelfzuchtige tante niet verdragen; ging ze afgewend van 't bed zitten.

O! Ze had wel 'n duw tegen de wieg kunnen geven, zoodat het mormel er uit vloog.

*— „Als het maar stierf i— dat schaap" .— dacht ze smeekend. Dan zou zij, Liesje, 'r groote vriendin al

36

Sluiten