Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't verdriet haar aangedaan, wel vergeven; want wat was èdelmoediger dan vergeving te kunnen schenken, aan menschen, die tegen je gezondigd hadden.

Dan — zou alles weer goed worden.

Hè ■— heerlijk!

Ze sloot 'r oogen even bij het doordenken.

~ „Nu gaan we er samen eens mee wandelen, hè Lies?" — vroeg de moeder koel-vriendelijk, zoo onverschilligjes weg.

Geen antwoord.

Geen blik zelfs.

't Kind kón niet huichelen.

En tante Lize, alsof ze niets gezegd had, praatte rustigjes door, tegen haar schoonzuster, „dat de baby heel teer en zwakjes was," volgens den dokter. — „Al groeide ze flink."

— „Lekker!" smulde lies. „Dat gun ik je; voor mijn part krijgt het een bult."

Er begon onder de dekentjes beweging te komen; het gebalde knuistje ging recht omhoog, spartelende beentjes, deden het wiegekleedje opbollen.

Dan fijntjes, doch al dringender, heftiger begon het

menschje te eischen.

Dadelijk het de moeder zich het kindje geven, nam het sussend in haar armen. „Kleine doezele, donzele schat. Suja, susa, kindje."

'n Aandoenlijk, hef tafereeltje waren die twee. Suja.

suja. Het kindje werd zoetjes heen en weer gewiegd; door de meest-behoedzame armen omvat. Het moedergelaat -— nog heel smal en ivoorkleurig, met de vlechten

Sluiten