Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meisjesachtig over dea schouder, boog zich teeder over het kleine hoopje mensch.

— „Is mijn kleine dochtertje zoet, ja?"

Ze gaf het de roomig-zoete levenskracht; ze gaf het haar leven, haar schoonste en fijnste gedachten.

Haar meest ootmoedig, nederig gebed, riep God aan. als Waker over 'r kindeke.

Liesje, — die eigenlijk niet kijken wou. kon toch haar oogen niet van dit intiem gedoe afhouden.

Mét oogen van haat keek ze haar moeder, 'r moedwillige pijnigster aan. Dat mensch. dat haar gedwongen had, dit, dit bij te wonen.

— „Ouwe zeurkous! Wat teem je weer; heb je nou haast genoeg van je visite?" ging het giftig in 'r om. Ze had kunnen schreeuwen, brullen van valsche pijn.

Al zouden ze 'r vasthouden, dacht ze opstaande; al zouden ze 'r aan haar stoel vastbinden, losrukken zou ze zich. Want ze moést weg. Ze had hier niets meer te maken.

En resoluut liep ze naar de deur; keerde zich daar nog 's om, nam alles nog 's goed in zich op met oogen, die niet scheiden konden. Dan vermande ze zich.

— „Ik ga maar vast naar huis, hoor! 't Is hier zoó taai," zei ze ruw, om te ergeren. „Nou, dag allemaal."

Weg was ze.

— „Ik begrijp dat kind niet," zuchtte mevrouw Verschoore, terwijl ze in den spiegel kijkende, haar krulletjes schikte, „ze was eerst nog wel zoo dol op je! Nü, moest ik haar bepaald dwingen om je te bezoeken."

De groote Lize antwoordde niet; zij had wél be-

Sluiten