Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moesje! zie je den Erlkönig niet?" treiterde hij; doorspelende dacht hij: ze begreep het wel, die kleine. O

Vast! Maar. Lies zou toch nooit overkletsen.

Want Lies zou het laf vinden te klikken; zoo'n kijk had hij, Nolding wel, op dat katje. Leuk juist, voor hem en dat wijfje Verschoore.

— „Och! och! Wat 'n baby ben je nog!" spotte hij en zong dan weer mee:

„Und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt"

De moeder had zich hersteld.

— „Waarom nu licht aan, kindje?" kwam ze luchtig.

— „Musiceeren is zoo gezellig in schemerdonker. Vindt je dan ook niet, dat meneer prachtig speelt?"

L> „Daar is wat an!" gaf Lies boosaardig aan Nolding terug; en wrevelig, dat ze zich niet eerlijker uiten kon, beval ze scherp:

— ,,'k Zou toch maar licht maken!"

— „Ze ziet spoken! Het kleine meisje ziet spoken; ze ziet den boeman, den Erlkönig op 'r afkomen. i— „Daar is wat an," imiteerde hij 'r meisjesstem, en weèr haar nabootsend. — „Ik — de pedante Lize Verschoore — kan 't ook zoó."

Hoewel muzikaal — bomde hij ruw neer 't droeve slot: „Het kind was dood." — 't Scheen of hij 't met 't grootste genoegen naar zijn eindje bracht; zoó wild hamerden z'n vingers op de piano.

'n Onharmonisch slotaccoord.

Hij had afgespeeld; keerde zich met 'n ruk op de kruk om.

Sluiten