Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Kind zweeg minachtend.

Je moest maar 's weten, dacht ze.

— „Zouden we niet naar moeder gaan?"

Zijn vrouw was zoo alleen gelaten met Nolding; onbeleefd tegenover dien man: als de twee andere huisgenooten zich terugtrokken — oordeelde Verschoore.

— „Nee!" — beet Lies af. — „Wat heb je eran, papa? Hoor! Ze zingen weer; ze hebben nou toch zeker de lamp aangestoken!"

— „Natuurlijk! Nu moeder met hem alleen is anders

is het zoo vreemd tegenover dien meneer Nolding."

— „Natuurlijk! Anders is het zoo vreemd tegenover dien meneer Nolding," beaamde Lies ironisch. — „Nou! Mijn zegen; laat ze blaêren!"

— „Foei Lies!" lachte Verschoore, die zelf absoluut geen muziekliefhebber was. — „Foei; wat koeltjes! Ik dacht, dat jij nog wel zoo'n bewonderaarster van kunst scheen?"

't Meisje ging er niet op in — lag te peinzen.

Zou moeder — nu heusch — van Nolding houden, en Nolding van moes. Onbegrijpelijk! Ze dacht, dat zoo iets alleen in de boeken gebeurde, in die van Werner, Corelli en de rest.

Zoo gek, hij was veel jonger ook dan ma. Vijf

en twintig zooiets. Zou hij nu nooit trouwen, omdat

moeder

Ja! Dat sprak vanzelf. Hij zou nu wel nooit trouwen.

Maar eigenlijk was ma al een beetje oud, al zes en dertig en over twee jaar stak zij, Lies het haar

op; eigenlijk zou zij toch beter bij Nolding

passen

Jaloersche hart. 4

Sluiten